woensdag 22 september 2021

Doot maar un alcoholvreej

Ut is moèj waer naeve de Maas maar toch wat vuùl wind en iets te fris um wiejer weg te fietse. Ik zeuk un beschut plaetske beej Sur Meuse op ut terras en bestel mich un tas kóffie met un stök rièstevlaai. Ik bin allein en ik huùr mien vrouw in mien oère fluustere: ‘Alweer rièstevlaai, waorum bestel se dich neet ens wat anders’. Maar ik kin ut neet helpe, rièstevlaai met slaagroum met van die chocoladefrutzelkes d’r op. Héérlik, ut water löp mich in de moel!

Kump zónne aldere mins zoe-wat van miene laeftièd beej mich staon. Hae is waal un stök dieker, ech met zónne opgeblaoze dieke boèk. D’r zit gen figuur aan, de häöpe zièn rats verdwene dus druueg hae van die breie bretels um zien te wieje bóks op te halde. Ik staek un flink stök vlaai in miene melis en kièk nao zien gebreide wolle zök in zien aope sandale. Ut velt mich op det hae hoeëg water haet in zien dónkerblauwe bóks.

‘Bis dich neet dae historicus van Blièrick?’, vruueg dae mins. Ik kièk umhoeëg nao twieë vraogende uigskes in det roeëd rónd gezich. Hae helt allebei zien hand achter ziene rök.
‘Nou ja, historicus is un groeët waord, maar ik schrièf waal ens wat’.
‘Nou det zal ik dich zegge, ik heb dien book gelaeze euver ut gebeurde in Blièrick. En ik mót zegge daet haes se verrekkes good oèt d’n aek gedreid. De cómplimente’
.
Ik waer altièd wat verlaege as minse det taege mich zegge. Maar ik wees op dae laege stool taegeneuver mich en zag:
‘Zet dich effe dan hoof ik neet zoeë umhoeëg te kièke’. Det leet-e zich gen twieë kièr zegge. Hae ging op ut puntje van de stool zitte, deej zien bein wièd oèt-ter-ein en schoof wat doeënder beej:
‘Ik laes ouk dien verhaole in ut plat, maar . . . . ‘, en toen zweeg hae en keek mich wat wazig aan.
‘Wat bedoel se met maar? Die verhäölkes vind se zeker neet zoeë good?’.
‘Jaowaal, mien vrouw nimp ze zelfs met nao bed, die smilt dao van e-weg’, zag hae.
‘Sorry det ik staok in dien haopelik gelökkig huwelijkslaeve. Ik wil ech neet tösse óch in kroèpe’.
Ik probeerde mich un plastische veurstelling van zien vrouw te make wie die in bed mien verhäölkes loog te laeze. Maar dae mins schoof nog wat wiejer nao veure en lag zien hand pontificaal links en rechs van mien stök rièstevlaai. Ik pakde ze maar flot weg in mien hand.
‘Naehae, dao geit ut neet um, die verhaole euver Blièrick vind ik ech geweldig, maar . . . . . . waorum schriefs dich ouk euver minse die pas doeëd zièn of euver dien eige verdreet as se emus verlaore haes? Wat mót ík dao mei?’. Ik zoog det hae bliej en opgeluch waas det ut eindelik d’r oèt waas want hae ging wat geröster achteroèt hange. Ik noom un stök vlaai in mien moel en zet ut telderke maar weer op ut täöfelke. Tja, wie meus ik um det noow weer verdoetse?

‘Luuster, det zal ik dich vertelle. Ik dink vuùl nao euver de dinger die mich aangaon en mich rake. Sóms hebbe ze te make met de geschiedenis van Blièrick, sóms zièn ut dinger die ik zoeë maar mei-maak. En jao, sóms bin ik ouk waal ens ech verdreetig. In miene kop greuie die nao lank naodinke allemaol oèt tot kleine verhäölkes en dan inens bin ik ut zat en schrièf se op. Sóms zelfs midde in de nach’.
Ik pak nog un stökske vlaai en slik det wat flotter door met unne sloek kóffie. En ik gaon wiejer:
‘Neet det ik d’r dan vanaaf wil zièn, maar ut lóch bes waal op. En ik vind det de minse det ouk meuge weite en meuge laeze. En eigelik zuje de minse det zelf ouk mièr mótte doon. Det mak ós minder kwetsbaar en mièr aope nao mekaar. En weej aldere luuj mótte mièr dörve um ós hert te laote spraeke’.

Dae gojje mins kiek mich aan en zaet: ‘Potdomme, det letste zag mien vrouw ouk al’. Intösse waas de vlaai op, ik had d’r jaomer genóg met det gewazel neet zoeë as anders van genaote. Dae gojje mins zoot wat zwiègzaam taegeneuver mich te koekeloere. Ik vroog of hae wat van mich woel drinke:
‘Doot maar un alcoholvreej!’.

En effe later zote twieë aldere minse met twieë alcoholvreeje pilskes gezellig te kletse euver wat aldere minse zoeë al bezig held. We hebbe same gelache en d’r tösse door bleek dat hae ut neet altièd gemekkelik had gehad.

dinsdag 14 september 2021

Het ontzettende busongeluk in 1931

Op zaterdagmiddag 14 februari 1931 gebeurde het op de inmiddels al lang verdwenen spoorwegovergang Venlo-Nijmegen, aan de Grubbenvorsterweg ter hoogte van de huidige Jachthavenweg. Vier mensen verloren daarbij het leven. De Nieuwe Venlosche Courant van 16 februari 1931 besteedt drie volledige pagina’s aan dit verschrikkelijke drama van 90 jaar geleden. De overweg werd vrij snel hierna gesloten en de daarbij liggende wachtpost 66 verdween in de vijftiger jaren. Nel Verstegen-Maessen maakte in 2014 een samenvatting van dit tragische ongeluk en noemt daarbij alle betrokkenen. Dank dat ik dit mag gebruiken, hieronder haar verhaal:


Zaterdagmiddag 14 februari 1931 vertrok vanaf de Maasbrug in Venlo een extra autobus van de firma Kupers uit Venray om 23 inzittende marktbezoekers naar huis te brengen. De weg liep met een grote boog om de infanteriekazerne te Blerick heen en liep verder parallel aan de spoorlijn naar Nijmegen. Spoedig werd de overweg bij wachtpost 66 bereikt. De meeste bussen reden hier rechtdoor om via Grubbenvorst naar Horst en Venray te gaan, maar deze zaterdagse marktbus sloeg hier linksaf om via deze overweg naar Horst te rijden. Op hetzelfde moment naderde een personentrein die om 13:03 uur uit Venlo richting Nijmegen was vertrokken en die het laatst in Blerick om 13:10 uur had gestopt. Bij wachtpost 66 aangekomen had de buschauffeur niet het minste vermoeden van het naderende gevaar. Bij de bewaakte overweg waren de overwegbomen nog geopend en de chauffeur reed de overweg op. Juist op dat moment was ook de trein ter plekke en ondanks krachtig remmen van de machinist boorde de trein zich met een ontzettende slag midden in de bus. De bus werd met de inzittenden 150 meter door de trein voortgeduwd en verpletterd. Drie mensen waren op slag dood, drie raakten zwaar gewond, twee overleden later aan hun verwondingen en de andere inzittenden raakten licht tot ernstig gewond. Het geschreeuw van de gewonden was op grote afstand te horen. De ravage was enorm: de autobus was totaal versplinterd en de brokstukken lagen over een groot gebied verspreid. Men achtte het een wonder dat niet alle inzittenden vermorzeld waren. De overweg was een bewaakte overweg met slagbomen. Bij de overweg stond het wachthuisje en daarachter lag de kleine woning van wachtpost 66. Hier woonde de familie Ebben-Janssen: vader en moeder met hun 12 kinderen. Vader en de oudste zoon werkten als ploegbaas en baanarbeider bij de spoorwegen en de 49-jarige mevrouw Egberdina Ebben was al 26 jaar in dienst bij N.S. als wachteres van bewaakte overwegen. Ze deed eerder dienst in Gennep, Sint Oedenrode, Veghel en nu in Blerick. Tijdens haar huwelijk kreeg ze vijftien kinderen, waarvan er nog twaalf in leven waren. De jongste was amper een jaar oud. Haar taak bestond uit het neerlaten van de overwegbomen bij het naderen van een trein en na het passeren van de trein deze weer in verticale stand te brengen. Drie minuten vóór de komst van de trein zou ze door een kloksignaal gewaarschuwd worden. Haar dienst begon ’s morgens om 05:02 uur en eindigde ’s avonds om 17:02 uur, zodat ze dagelijks twaalf uur onafgebroken dienst verrichtte, zonder enige rust. Voor haar werk kreeg ze een vergoeding van 578 gulden per jaar, waarvan ze 3,5% moest betalen aan pensioenpremie en ziekenfonds. De lijn Venlo – Nijmegen werd als een zeer drukke lijn beschouwd, omdat er dagelijks zo’n 63 treinen passeerden. Vanwege de drukke lijn kreeg mevrouw Ebben nog wekelijks 1 gulden toeslag. Als men bedenkt dat de wachteres bij iedere passerende trein ca. 10 minuten in de weer was, dan zou ze zich in die twaalf uur durende diensttijd in totaal 1½ uur met andere zaken (rust, eten en huishouden) bezig kunnen houden. En dat zeven dagen per week!

Mevrouw Ebben voelde zich de laatste tijd niet zo goed, ze had last van duizelingen en ze was daarom onlangs nog bij een dokter geweest, maar die tilde daar niet zo zwaar aan. Haar werkgever zou op de hoogte zijn geweest van haar zwakke gezondheid. De oudste dochter had al eens gevraagd om het werk van haar moeder te mogen overnemen, maar dat werd geweigerd. Haar man had al meerdere keren om overplaatsing naar een lichtere post gevraagd. Maar er was niets voorhanden. Onlangs had ze een post in Ravenstein aangeboden gekregen, maar de wachterswoning aldaar was te klein om het grote gezin te herbergen. Op die bewuste middag was de wachteres druk met haar huishouden bezig, daardoor had ze het sein van de naderende trein niet gehoord. Ze kwam naar buiten op het moment dat de trein de bus greep. Totaal van streek, een zenuwcrisis nabij werd ze in haar wachtpost gebracht. Ze kon voorlopig niet verhoord worden. Ooggetuigen vertelden:

-        De trein nam de autobus op de buffers en droeg deze in volle vaart voor zich uit. Enkele inzittenden werden spoedig uit de opengereten bus geslingerd, terwijl anderen tegen en om de trein bleven hangen of tussen de overblijfselen van de bus beklemd raakten. De passagiers van de trein stapten gillend uit en liepen in het wild rond.
-        Een 25-jarige radiohandelaar uit Heerlen, zag het ongeluk voor zijn ogen gebeuren. Hij sprong uit zijn auto en liep naar de trein die inmiddels stil stond. Hij hielp een tweetal personen, die tegen en op de locomotief zaten, naar beneden. Links en rechts van de spoorlijn lagen gewonden en dode passagiers. Er moest meer hulp komen. De jongeman sprong in zijn auto om in Venlo de politie en hulpdiensten te waarschuwen.
-        Een 26-jarige bakker uit Horst, die met twee gebroken benen en een hoofdwond werd opgenomen in het ziekenhuis, vertelde: Ik stond voorin, achter de chauffeur. Ik zag dat hij zijn hand naar links uitstak om zo een teken te geven dat hij de overweg wilde oversteken. Midden op de overweg aangekomen, zag ik, hevig schrikkend, dat een locomotief op onze bus kwam aanstormen.
-        Een veertienjarige knaap werd uit de bus geslingerd en kwam voor op de locomotief bij bewustzijn. Hij kwam er van af met een paar schrammen en kneuzingen.
-        De buschauffeur vertelde: De bomen waren open en ik heb geen trein gezien. Ik heb nog mijn hand uitgestoken ten teken dat ik de overweg wilde passeren. Ik ben altijd erg voorzichtig bij overwegen, omdat mij acht jaar geleden een bijna ongeluk is overkomen. Ik was toen chauffeur bij een dokter en kon gelukkig zo hard remmen zodat ik bijna onmiddellijk stilstond. De trein passeerde toen op een paar decimeter afstand. Nu was hij minder fortuinlijk. In zijn doodsangst heeft hij zich kunnen vastgrijpen aan de rechterlantaarn van de locomotief en heeft zich zo honderd meter later meesleuren, voordat de trein tot stilstand kwam. Hij overleefde het ongeluk met slechts enkele vleeswonden en een hevige shock.
-        Een treinpassagier vertelt: Wij hadden juist station Blerick verlaten en de overweg bij wachtpost 66 bereikt, toen wij een hevig gekraak hoorden en een schok waarnamen. Het was ons onmiddellijk duidelijk dat er iets bijzonders gebeurd moest zijn. Ik sprong op en liep met zo’n vaart naar het coupéraampje dat ik mijn hoofd stootte en zag op dat zelfde ogenblik dat een zwaar voorwerp voorbij vloog, dat later het afgerukte dak van de autobus bleek te zijn. Enige seconden later stond de trein met een ruk stil en waren wij getuige van de ontzettende gebeurtenis. De motor van de bus en de motorkap zaten onder de locomotief, waaronder later drie slachtoffers werden weggehaald. Aan alle kanten hoorden we het gekerm van gewonden, die ten dele tussen de resten van de autobus beklemd zaten en voor een ander deel kreunend langs de weg lagen. Van alle kanten werd hulp geboden, maar het reddingswerk kwam pas goed op gang toen een aantal geneeskundigen arriveerden. Vooral de aanwezige militaire dokter verrichtte goed werk. De treinpassagiers waren ontzet over het gebeurde en de stemming in de trein was dan ook zeer bedrukt toen die na precies 1 uur en 13 minuten stagnatie te hebben gehad, de reis naar het noorden voortzette.

Hulpverlening - Direct na het ongeluk werd door voorbijgangers de politie en de hulpdiensten te Venlo gewaarschuwd. Onmiddellijk spoedden doctoren en geestelijken zich per auto naar de plaats van het ongeluk, gevolgd door de militaire politie. Het terrein werd door militairen afgezet om de duizenden nieuwsgierigen op een afstand te houden. De burgemeesters van Venlo, Horst, Sevenum en Grubbenvorst waren spoedig persoonlijk aanwezig, alsook de stationschef en de onderstationschef van Venlo. Onder leiding van militairen werden de gewonden, na de eerste hulp, onmiddellijk met particuliere auto’s naar het Sint Jozefziekenhuis te Venlo gebracht. De marechaussee stelde een uitvoerig onderzoek in. Om 15:00 uur arriveerde het parket uit Roermond: officier van justitie mr. dr. Rieter en rechtercommissaris mr. Marres en dhr. Hox, waarnemend griffier, die ter plaatse een onderzoek instelden en het spoorwegpersoneel en de gewonden, voor zover deze tot het geven van inlichtingen in staat waren, ondervroegen.

Bus inzittenden (slachtoffers) - De slachtoffers die het leven lieten bij deze dramatische gebeurtenis en op slag gedood werden waren:
- Franciscus Winckens, 65 jaar, gehuwd en vader van negen kinderen, uit Venray.
- Pieter Johannes Swinkels, 58 jaar, gehuwd en vader van acht kinderen, uit Venray.
- Peter Johannes Antonius Hubertus Moorrees, 17 jaar, uit Horst.
Zwaar gewond werden:
- Gerard Johannes Hubertus Peters, vertegenwoordiger uit Venray, zwaar gewond (hoofdwond en beide benen gebroken). Hij overleed twee dagen later op 16 februari 1931, hij was 48 jaar oud.
- dhr. L. Kleven, 29 jarige bakker uit Horst, zwaar gewond aan hoofd en borst en 2 gebroken benen.
- dhr. H. Joosten, wethouder van Grubbenvorst, zwaar gewond, hij moet waarschijnlijk zijn rechtervoet missen.
Licht tot ernstig gewond werden:
- mevr. Swinkels (echtgenote van Pieter J. Swinkels die het ongeluk niet overleefde) hoofdwond en beenbreuk, en hun zoon.
- Harry Vollenberg, Venray, 14 jaar.
- dhr. Gerard van Leuken, koopman uit Venray, 38 jaar, vader van 7 kinderen.
- chauffeur J. Wieferink uit Venray, ernstige hoofdwond.
- dhr. Kraus uit Horst (woonwagenbewoner).
- mevr. Kraus-Hulkens uit Horst, ernstige shocktoestand, zij overlijdt op 6 maart 1931.
- mevr. Peters, echtgenote van Gerard Peters die het ongeluk niet overleefde, en hun zoon, beiden uit Venray.
- dhr. Van Dijk uit Venray, zijn duim werd afgerukt; na verbonden te zijn kon hij het ziekenhuis weer verlaten.
- mevr. Winckens uit Venray, dochter van de overleden F. Winckens, en haar zoon.
Vijf personen konden na behandeling meteen naar huis:
- dhr. Th. Van Dijck, koopman uit Venray.
- dhr. J. Gommans uit Venray, soldaat in Blerick.
- dhr. A. Jacobs, koopman te Leunen.
- dhr. A. Janssen uit Horst.
- dhr. J. Verstraelen uit Venray.

Blijken van medeleven - De burgemeesters van Venlo, Venray en Horst kregen telegrammen van H.M. Koningin Wilhelmina, de commissaris der Koningin in Limburg en de Bond van Nederlandse autobusondernemingen met het verzoek hun oprechte deelneming aan de nabestaande van de slachtoffers over te brengen. De commissaris der Koningin bezocht het Sint Jozefziekenhuis om zich persoonlijk op de hoogte te stellen van de toestand van de gewonden.

Oorzaak van de ramp - waren de openstaande spoorbomen, die de overwegwachteres had moeten sluiten. De media nam het al snel op voor de moeder van het grote gezin. Dat er sprake was van nalatigheid was wel duidelijk, maar de vraag was of dat ook verwijtbaar was? De pers was van mening dat er kritisch naar de N.S. gekeken moest worden. Welk bedrijf haalde het in zijn hoofd om zo’n zware post toe te vertrouwen aan een vrouw die én ziekelijk én de zorg voor zo’n groot gezin had. Die verontwaardiging was niet alleen in Venlo te horen. In heel Nederland nam men het op voor de ongelukkige spoorwachteres. Deze campagne werd voortgezet in cabaretliedjes. In de liedjes draaide het niet om de slachtoffers, de afschuwelijke details, de uiteen gereten bus of het gekerm van de gewonden, maar het ging om de wachteres met haar talrijke kroost, die verzuimd had de bomen te sluiten. De dichter klaagde de wachteres niet aan voor haar schuld, maar beklaagde haar lot.

Klachtlied van een wachteres
O God, ik leef in nood, ik heb door mijne schuld gedood
Vier mensen onverwacht, waar ik toen niet aan dacht
Ik heb jarenlang trouw mijne plicht vervuld
Nu heb ik verzuimd: een ongeluk door schuld
Ik kan het niet meer aan, ik kan geen voet meer gaan
Ja, geheel mijn leven lang, mijn gemoed blijve zeer bang
Ik, moeder van een gezin, had tot taak en tot gewin
Voor mij zo talrijke kroost, een post zoo onverpoost
Mijn moederhart was op dat ogenblik
Misschien meer op mijn kinderen beschikt
Want ach, mijn taak was zwaar, meermalen werd ik gewaar
Ik had aan de maatschappij, verlichting gevraagd voor mij
Ik vergeet nooit dat ogenblik, vol aller angst en schrik
Hoe zovele mensen daar, als wrakken al te gaar
Ik hoor daar nog die verschrikkelijke stoot
Die allen daar bracht in den grootsten nood
Auto versplinterde gansch, dood en gewonden thans
O, God, sta mij bij, heb met mij medelij

Epiloog - Wachteres Egberdina Ebben van wachtpost 66 te Blerick werd ten gevolge van het niet sluiten van de bomen van haar wachtpost, op 27 maart 1931 door de N.S. op staande voet ontslagen. Ze was tot die datum ziek. ‘Zo betaalt ook nu weer de arbeidster met broodroof voor de gevolgen van de rationalisatie van de directie’, aldus de krant.

Rechtszaak - De rechtbank van Roermond deed op 16 juni 1931 uitspraak in de zaak tegen mevrouw Ebben-Janssen uit Grubbenvorst en veroordeelde haar tot een maand hechtenis, wegens ‘het doen ontstaan van gevaar voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg’. De eis was drie maanden hechtenis wegens dood door schuld. De straf werd uiteindelijk verminderd tot een week hechtenis doordat koningin Wilhelmina gratie verleende. Intussen was het gezin van de wachteres overgeplaatst naar wachtpost 56 bij Melderslo. In wachtpost 66 trok een ander spoorweggezin en ook deze vrouw bewaakte de overweg. Op het einde van de vijftiger jaren kwam de spoorwegovergang bij wachtpost 66 te vervallen. Het verkeer maakte sindsdien gebruik van de onderdoorgang bij het enkele honderden meters verderop gelegen spoorviaduct over de Horsterweg. Op de plaats van wachtpost 66, kruist anno 2014 de A 67 de spoorlijn Venlo-Nijmegen.

Bronnen - Nieuwe Venlosche Courant 16-02-1931; Info LGOG Kring ter Horst nr.50 - februari 2014 Nel Verstegen-Maessen; Buun 2001, blz.5-10.

vrijdag 10 september 2021

Ik mót effe wat kwièt

We waere alsmaar alder, we gaon steeds mièr truuk nao vruùger. Ik heb mich langen tièd neet vuùl aangetrokke van mien femilie. Tuurlik had ik genóg andere dinger te doon, maar det is gen excuus. Det veranderde inens wie mien breurke storf. Ut waas 27 juli 2011 wie ózze Jacky d’r tössen oèt kneep. Hae waas de leukste mongool dae se dich maar kós veurstelle. Vanaaf daen tièd ginge we weer mièr nao mien aldste zuske, ós Tina. Iddere dónderdigmiddag as we kóste en iddere zóndigmiddag as we kóste zóchte we um op. Det leverde de letste jaore de moèiste momente en de dierbaarste gesprekke op, we kóste ut euveral euver hebbe en we hoofde ut neet ins met-ein te zièn. Maar ónvergaetelik ware die verhaole euver vruùger van beej ós thoès, euver d’n oorlog, euver de femilie en euver ós Blièrick. Ós Tina waas haos 17 jaor alder as mich en droog dus ouk 17 jaor mièr herinneringe met zich mei aan ózze pap en ós mam, omes en tantes, naeve en nichte. Ze kwame allemaol veurbeej, de schoondoeës met alde foto’s stónd al klaor oppe taofel. Ik heb vuùl verhäölkes d’r euver meuge schriève, ut ein nog moèier as ut ander. Wat hebbe we d’r same van genaote. Maar ouk treurige veurvalle hoorte d’r beej. Ós Tina en ik woorte mièr ein met de femilie en ein met Blièrick. En we ware nog lang neet oètgepraot.

Morge wuùrt unne zwaoren daag: 12 september 2021, ós Tina is alweer un jaor euverleje, ut liek of mien ganse femilie van vruùger noow ouk pas ech doeëd is. D’r kómme gen nieje verhaole mièr en steeds mièr vraoge bliève door miene kop speule. Sóms as ik euver de Laan fiets dan blièf ik staon beej de kerk en kièk d’n andere kant umhoeëg nao de Antoniusflat. D’r kump unnen brok in miene kael, de traone kómme in mien ouge. Ik slik met meuite twieë kièr en fiets weer wiejer. Ut laeve geit door maar det is neet gans waor.

Un biezóndere vrouw, mien zuske, ut stónd veur idderein klaor. En as det neet zoeë waas dan loog ut toch ech aan dich zelf. Want ik kin det weite. Ut wuùrt al un jaor gemis en ut wuùrt neet minder. Det meus ik effe kwièt.

zaterdag 4 september 2021

Blaricge en Walaren: Blerick en de Wielder?

Ene Albericus schonk tussen 780 en 784 goederen in Blerick aan de Bonifatius-abdij van het Duitse Fulda. De schenking staat vermeld op een lijst Friese giften uit die tijd, die in de archieven van het klooster wordt bewaard. Het is de eerste schriftelijke vermelding van Blerick na de Romeinse tijd. Ze luidt (vertaald) als volgt:


Ik, Albericus van de Maasgouw, schenk aan Bonifatius goederen uit ons erfdeel , gelegen in de Maasgouw, langs de rivier de Maas in het domein Blaricge (Blerick): een landgoed met boerderijen en de grote vroenhof met al wat daar bij hoort. In het andere domein Walaren een boomgaard en een weide en 11 boerderijen en een halve (boerderij) met de daarop wonende horigen en anderen (horigen) ten getale van 46.[1]
 

De vraag rijst meteen waar ligt dat andere domein Walaren? Het woord walare[2] zou een latijnse vorm zijn van wilere[3]. Van oorsprong mogelijk een mengvorm van Romaans en Germaans voor villari ‘boerderij’. In het grensgebied van het Germaans en Romaans zijn ook nu nog veel meer plaatsnamen met weiler / wieler. Opsplitsing naar wil-e-re doet denken aan plaatsaanduidingen als Wieler / Wielder.

Bij het zoeken op internet vinden we binnen een straal van 100 km vijf mogelijke locaties aangegeven die zouden kunnen matchen met Walaren:

1.      Wijlre (spreek uit: wiel-re) is een kerkdorp in de gemeente Gulpen-Wittem, in het zuiden van de Nederlandse provincie Limburg, 85 km ten zuiden van Blerick. Door het dorp stroomt het riviertje de Geul. De kern Wijlre telde in 2015 circa 1960 inwoners.

2.    Well (ligt ruim 30 kilometer ten noorden van Blerick aan de Maas); woonkern van de Nederlands-Limburgse gemeente Bergen. Het kerkdorp telt 2.484 inwoners (2019). Het ontbreken van de –re doet vermoeden dat Well eerder afgeleid is van wal / oever / aanlegplaats aan een rivier.

3.    Wielder (buurtschap ten noorden van Blerick); ligt in het noordwesten van Blerick en wordt aan westzijde begrensd door de A73, aan noordzijde door Venlo Trade Port, aan oostzijde door de Groot-Bollerweg, aan zuidoostzijde door de buurtschap Wassum en aan zuidzijde door de wijk Klingerberg.

4.    Wielder (klein buurtschapje en straatnaam ten ZW van Lottum);

5.     Wieler (buurtschap ten noorden van Swalmen, minder dan 20 kilometer ten zuiden van Blerick). Door Wieler lopen twee straten, die allebei de naam Wieler dragen. Vanuit deze wegen zijn het gehucht Einde en het dorp Swalmen te bereiken. De buurtschap ligt direct aan het riviertje de Swalm.

Zonder de andere vier opties tekort te willen doen, zou ik graag enkele argumenten willen noemen die pleiten voor de Wielder bij Blerick:

1.      Het wordt meteen aansluitend genoemd in de schenking van Albericus van de Maasgouw.

2.    Blerick wordt omringd door de buurtschappen Hout-Blerick, Overkoren, de Boekend, de Wielder en ‘t Ubroek. Verplaatsen we ons naar de Middeleeuwen, dan lag de Wielder ingeklemd tussen de Maasmeanders Koelbroek in het westen en Ubroek in het oosten. Verder ’t Saorbrook (water in het zuiden) en de Blerickse Hei (in het noorden). De grens tussen de Blerickse Hei en de Wielder werd vroeger de Germaanse wal genoemd, een kunstmatige wal van 2 meter hoog, 9 meter breed en 700 meter lang[4].

3.    Midden in de Wielder lag zeker vanaf de Middeleeuwen hoeve Boerlo[5], omringd door landerijen. De van Boerlo’s woonden al in het begin van de 14e eeuw in Blerick.

Tenslotte: ik wil niet claimen dat het Walaren uit de achtste eeuw de Wielder is in Blerick. Dat zou ook niet netjes zijn ten opzichte van de andere opties. Maar het zou zo maar kunnen en dan zou het de historie van Blerick alweer een beetje meer inkleuren.



[1] Ego Albericus de pago Mosao trado sco Bonifacio res quas dedit fr(ater) m(eu)s Rudinc. Id est portione(m) dni mei Helgrici et d(omi)na mea Agnes suam mihi tradidit portionem. Hoc est q(uo)d trado sco Bon. in pago Masao iuxta flumen More, in villa no(min)e Blaricge domu(m) scilicet una(m) bona(m) cu(m) casis et curte magna ac suis adiacentiis, et in alia villa Walaren pomerium, et pratum, et XI mansos et dimidium cum mancipiis supra sedentibus, et aliis numero XLVI.

[2] http://gtb.ivdnt.org/iWDB/search?actie=article&wdb=ONW&id=ID4801

[3] Zie ook: wilere; http://gtb.ivdnt.org/search/ Historisch woordenboek

[4] J.A.Ort; Jaarboek van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (Volume 19 – 1882, blz.451-462)

[5] https://www.heemkundekringblariacum.nl/documenten/publicaties/Boerlo.pdf

zondag 29 augustus 2021

Trekhund

Op zeuk in de alde Nieuwe Venlosche Courant kwaam ik un paar advertenties taege die mien niejsgierigheid trokke. Op 15 juli 1916 steit: 'Te koop een sterke trekhond, Leeuwerikstraat 20, Blerick’. Ut ièrste wat ik dóch: beej ós in de straot, det guuef ut neet. Dus zóch ik effe wiejer op ‘trekhónd’, en jao-waal. Op 5 november 1918 laeze we: ‘Te koop sterke jonge trekhond (reu) 75 cm. hoog; L.Hendrikx, Leeuwerikstraat 18, Blerick’. En op 1 mei 1926 vónd ik: ‘Te koop, trekhond met kar en tuig en drie jonge trekhonden. Adres Leeuwerikstraat 65 Blerick’. Metein meus ik dinke aan Diesel, d’n hónd van miene zoon. Ik zeen dae luiwammes nog lank-oèt in zien mand ligge as we dae meuste oètlaote. Gen bewaeging in te kriège, allein hièl veurzichtig met ein oug ós schuùn aankièkend van: ‘Och god, dao kómme die weer aan, mót ik weer zoe-nuuedig achter die aan sjokke’. Ik mót d'r neet aan dinke det dae de ker had mótte trekke . . . ocherm.

Noow wis ik det mien veurelders maasschippers ware, die met eur buuet groeëte vrachte op-en-neer brachte tösse Luùk en Dordrech. Ik wis ouk det miene euvergroeëtvader Levrinze Kuueb paerd heel waomei hae buuet euver ut liènpaad trok naeve de Maas. En as d’r niks te trekke veel dan waas hae voerman, dae met paerd en kèr van alles transporteerde. Maar noow bliek ouk det zeker al vanaaf de zeventieënde ieuw d’r ouk kleinere vrachte vervoerd woorte met hóndekerre. En zoe-as we kinne laeze in de alde krante ouk wies zeker 1926 beej ós in de Lieuwerikstraot. 

Unnen hónd waas goodkoup en hónds-trouw. Veural de kleinere middestanders en kleine buurkes gebroekde un hóndeker. De melk en de mik woord d’r met róndgebrach. De eier, de greunte en de kieës ging d’r met nao de merret. En d’n hónd oot gewoèn mei wat de pot schafde. As hae gelök had, sleep-e thoès in de kamer, as hae pech had boète in un hok. Tuurlik waas det erm bieës euvergeleverd aan de nukke van zienen baas, en det leep nog waal ens slech aaf met zón hóndebaan. Daorum kwaam d’r ouk vreej laat un trekhóndewet, die gold van 1911-1962. De begeleider van un hóndeker mós minimaal 14 jaor zièn en un schriftelikke vergunning beej zich hebbe. Wiejer meuste d’n hónd, de ker en de oètrösting idder joar waere gekeurd.

Aan de ker meus unne schoeëne drinkbaeker hange en un holtere ligplank. Aan de ker zoot un plaetje wao-op met zwarte letters de naam van de eigenaer en zien woeënplaats stónde. Ouk ware d’r veurschrifte veur de aafmaetinge en ut materiaal van ut hónde-getuùg. D’n draagreem waas minimaal 6cm breid en de bors- en boèkreme minimaal 4cm. De lading mót in aevewich zièn en ‘niet zóó groot zijn, dat het trekken kenlijk bovenmatige inspanning vereischt’. D’n hónd zelf meus minimaal ein jaor ald zièn en minimaal 60 centimaeter schófhuuegte. En vónd idderein det zoeë maar good? Tuurlik neet, want wie det in os land huùrt waas d’r vanaaf 1912 ouk unne Anti-Trekhónde-Bónd. En wie gezag ware trekhund vanaaf 1962 (terech) verbaoje en vinde we hóndekerre allein nog in ut museum.

Maar bewièze det d’r in Blièrick hóndekerre hebbe geloupe, zien lestig te vinde. Maar ik heb d’r twieë met naam en ein met foto gevónde. Allerièrs de Holzkaole-keunegin, ze hoot mevrouw Heldens, kwaam oèt Tegele en woeënde veuraan links op de Maasbreesestraot vanaaf de Póntanusstraot. In d’n tièd veur de Twieëde Waereldoorlog ging zeej met un hóndeker naeve de deur met holzkaole en heit water. Ut verhaol wilt det ze d’r altièd hièl vettig oètzoog. Wie ze unne kièr schoeën gewasse op un broèlof verscheen kós nemus eur mièr truuk.

De twieëde is Nieës Dorssers van de Sóngert. Ze waas de dochter van Jan Dorssers en Maria Gertrudis Gubbels, die met unne ganse zwiek kinder op de grens met Grubbevors woeënde. Op de foto steit Nieës (Maria Agnes) met de hóndeker met melkbusse. As we hièl good kièke kinne we op ut plaetje aan de ker ‘Dorssers’ laeze. Nieës trouwde in 1917 met Pieter Mathijs Valle en ginge woeëne op de Broekstraot (Pepijnstraot).

Trekhund hadde un hóndebaan, die idderen aovend hóndsmuùg kóste beejkómme. Wat d’n hónd neet kint, det vrit hae neet. Maar det gold neet veur trekhund, die meuste ut toch maar doon met de kletskes die euverbleve van de taofel. Gen rotter laeve as un trekhónde-laeve. Ik kièk beej ós oèt de raam en zeen unne mins loupe, zienen hónd sjok d’r hièl lamlendig aan ut reemke achteraan. En ik dink beej mich-eiges, jóng de meus ens dinke:

‘Wat hebs dich un loèze-laeve’.


dinsdag 17 augustus 2021

Tolboeken Gelders Archief (1394-1395)

In het Gelders archief bevinden zich de tolboeken van de hertog van Gelre, Willem II van Gulik. Op de Maas werd o.a. tol geheven in Heerwaarden, Ravenstein, Mook en Middelaar. Westermann[1] legde een en ander keurig vast in zijn boek, waaruit ik de gegevens van de passerende ‘Remundse en Venlose’ maasschippers heb kunnen destilleren. Het betreft het tijdvak van 9 maart 1394 tot 14 juni 1395 en wel voor de genoemde maastollen. Het Venlose schippersgilde, de ‘Broderschap van den Heylighen Cruys’ telde in de 17e eeuw zo’n 40 maasschippers. Als we de gegevens van Westermann analyseren van zo’n 250 jaar eerder, dan tellen we in die 15 maanden maar liefst 86 schippers uit Venlo. Dat onderstreept duidelijk het belang van de maashandel zo’n 40 jaar nadat Venlo stadsrechten verkreeg van Reinoud II.


Helaas staan over deze periode geen tolgegevens van de Venlose haven geregistreerd, de reden van het ontbreken is wel duidelijk. De inkomsten van deze tol zijn namelijk in 1393, na het overlijden van Willem II van Gulik[2], toegewezen aan zijn moeder Maria van Gelre, dochter van Reinoud II van Gelre, aan wie de aanspraken op Gelre te danken zijn. Maar uit de bovengenoemde tollen krijgen we toch een goed beeld van de maasschippers en de maashandel in Venlo. Hout, graan, wijn, zout, kolen, kalk, vis en steen zijn wel de hoofdproducten, die vervoerd werden.
In Ravenstein vinden we een tweetal halve vrijstellingen voor de schippers van Roermond en Venlo: ‘Sonnendages Judica (5 April 1394) gaf miin lieve genedige heer van Gelre dien van Remunde halven sinen toll quiit’, en ten tweede: ‘Sonnendages octava Pentecoste (14 Juni 1394) gaf miin heer... dien van Venle oyck halven toll quiit’. Bovendien blijkt ook Grave, dat in deze tijd nog geen Gelderse stad was (wat het in 1400 werd), vrijdom van deze tol te hebben genoten.

In de tolrekening van ‘Moudic of Midler’ wordt de laatstgenoemde plaats (Middelaar), afwisselend gebruikt met Mook. Het huis Middelaar en de domeinen onder Mook vormden een rentambt, waartoe onder meer de riviertol en ook een landtol te Mook behoorden. Naast de inkomsten uit die tollen vindt men in die rekeningen vermeld de opbrengst van voor de hertog verkocht koren. De hoeveelheden en prijzen van de verkochte haver, gerst, tarwe, rogge, wikke, boekweit, erwten, worden nauwkeurig aangetekend, waarbij 1 malder steeds voor 4 schepels gerekend wordt. Verder doet men inning van landpacht (in geld) en van erfpacht, ‘tyns’ of ‘tiende’ (in koren). De landtol te Mook werd verpacht; de inkomsten hiervan waren niet groot. De pacht bedroeg 60 gulden, d.w.z. 32 scilden[3], terwijl de riviertol 650 scilden opbracht. 

Het enige tarief, dat van direct en van groot belang is voor het gebruik van de tolrekeningen van 1394 en 1395, is de uitvoerige lijst van de in 1394 te Mook en Ravenstein geheven tolrechten die Meerdink[4] in zijn boek heeft vastgelegd op pagina 65: ‘van eynen hondert hards koeren (winterkoren) 2 alde sc., van eynen hondert somercoerens eynen alden sc., van eynen voeder wiins acht groet, van eynen last herinx acht groet, van eynen last buckinx acht grote, van eynen last calmus acht grote, van eynen last botteren eynen alden sc., van eynen wagen kese eynen gr., van eynen hondert salts vier alde st., van eynen dobbelen knye vierkantich holtz drye alde st., van eynen dobbelen knye cleynholtz anderhalven alden st., van eynen hondert kalx eynen alden st., van viiffentwintich voder kolen eynen alden st., van eynre karre weden vier gr., van twyntichdusent botsele eynen alden st. ende desgeliix van anderen borneholts nae siinre werde, ende van eyn terling (pak) gewants drye grote, voirt van yser, stale, coper, bly ind van anderen comenscappen, die niet vurss. en is, sal men geven nae haere werde’.

Als we de lange lijst met maasschippers door lopen, vallen een paar namen meteen op:
Hein Ratinck (±1340-1428), die burgemeester was van Venlo (1398-1404) en over een nog langere periode schepen (1397-1428). Hein was getrouwd met ene Grete, er zijn drie kinderen van hen bekend: [1] Heinrich, [2] Dirich, [3] Mechtildis.
Gherit van Hellu en Jannes Vetloegen worden regelmatig als schepenen vermeld in de regesten van het Stadsgericht Venlo en het klooster Maria Weide.
Jannes Vetloegen geeft hierin iets meer prijs. Met zijn echtgenote Johanna verwierf hij in 1404 een aandeel in de tienden te Natt gelegen in het kerspel Breyell. In 1417 kregen zij een huis en erf in erftijns, gelegen in der Weiden tussen enerzijds het erf van Sibrecht aen ghen Ende en anderzijds het erf van Jacob van Blerick voor anderhalve Gelderse gulden jaarlijkse te betalen met Sint Andries. In 1433 draagt Gebel, dochter van wijlen Lambrecht Vetloegens, met toestemming van haar moeder Styne aan het klooster Maria Weide een moestuin over, gelegen bij het klooster waar ten dele het koor van het klooster op staat. Tenslotte in 1442 verkoopt Joannes Vetloegen zijn vruchtgebruik en recht aan een erf aan de stad Venlo. Dat lag voor de Tiegelporten bij de stadsgracht, waar men mergel op placht te leggen.

Analyse van de Gelderse tolboeken 1394-1395 geven een goede inkijk in de handel van het laat-middeleeuwse Venlo. De gunstige logistieke ligging en de privileges gaven de nieuwe ‘stad’ Venlo vleugels. De maashandel bleek van levensbelang, hetgeen is af te leiden uit het grote aantal maasschippers. Zij traden toe tot de magistraat om hun belangen en privileges beter te beschermen. Hieronder de ‘86’ Venlose maasschippers:




[1] ‘De Rekeningen van de Landsheerlijke tollen in Gelderland 1394/1395’; Dr.J.C. Westermann (Arnhem 1939)

[2] Willem II van Gulik (ca. 1326 - 13 december 1393) was van 1361 tot 1393 de tweede hertog van Gulik. Willem huwde in 1362 met Maria van Gelre (1328-november 1397), een dochter van Reinoud II van Gelre. Zij hadden voor zover bekend drie kinderen: [1] Johanna (-1394 of 1415), huwde in 1376 met graaf Jan V van Arkel (1362-1428). Haar kleinzoon Arnold van Egmont volgde haar broer Reinoud op als hertog van Gelre; [2] Willem I (1364-1402), hertog van Gelre (1372) en als Willem III hertog van Gulik (1393); [3] Reinoud IV (1365-1423), hertog van Gelre en Gulik vanaf 1402.

[3] Een scilt = 1,875 gulden

[4] ‘Roermond in de Middeleeuwen’; Meerdink, Carel Johan August - Roermond (1909)

donderdag 5 augustus 2021

Incognito op de ougpoli

Alder waere kump met gebrekke. Ut netvlies van mien rechteroug is los gegaon, ik merkde det aafgeloupe zóndig pas. Mien gezichsveld stónd inens deils op zwart. Via de ièrste hölp in Venlo meus ik nao de ougpoli in Venlo op maondig middig. Potdomme d’r waas häös beej, ik woord metein met spoed doorverweze nao Mestreech. Dao kós ik op dinsdigmiddig um twelf oor geopereerd waere. En zoeë gebeurde ut det Marijke en ik al um half twelf ut daagcentrum binne lepe, dreej hoeëg in Mestreech.

In de wachkamer zitte al twieë manne en dreej vrouwe, we zeuke un plaetske naevenein. ‘Meneer Titulaer?’, rup zón aardige verpleegster. Det geit flot dóch ik, maar jaomer genóg waas det veur un ièrste ougmaeting. En effe later zoot ik alweer truuk op miene stool. Taegeneuver ós zote twieë vruiwkes oèt Panninge un bruuedje te aete. Ein van die vrouwe had un pièlke geteikend baove ut linkeroug.
‘Geej waerd ouk aan óch oug geholpe’, vroog ik.
‘Jao, macula . . ‘, zuchde ze as antwaord.
‘Wannièr ziet ge aan de beurt’, vroog ik um in te schatte wie lang ut zuuj deure.
‘Kwart veur elf’, zag die vrouw. Nou, det kós waal ens lank deure. Dae man aan de rechterkant zoot mich al un tiedje aan te glouwe: ‘Titulaer heit geej? Ge kómp mich erges hièl bekind veur’.
‘Ik zuuj ut neet weite, maar ós mam haet mich waal un alledaags gezich gegaeve. Weej kómme van Blièrick, wao woeënt geej?’
‘In Kessel’.
‘En ik woeën in Keuningslös’
, zag die vrouw naeve mich.
‘Nou, dan zitte we heej met half Noord-Limburg’, zag ik weer.

Ik keek links naeve mich want dao zoot d’n enige nog ónbekinde. Maar dae goof gen sjoege, dae bleef veureuver gebaoge met zien mobieltje speule. Nou ja, det mót dae weite, dóch ik beej mich zelf. De Noord-Limburgers zote gezellig met-ein te klasjenere, maar dae naeve mich hulde zich letterlik en figuurlik in d’n dieke mis. Ut waas un wat klein gedrónge menke ónder un dónkerblauwe pet met zón groeëte klep. Hae had wat baard en zien haor had-e vanachter met un elestiekske beejein gebónde in un minuscuul klein stertje. As enige in de wachkamer droog hae wat euverdreve un zwart móndkepke. Tösse det móndkepke en die klep verborg unne groeëten dónkere bril de letste meugelikke herkinning. Zelfs de vorm van zien lièf zoot weggedaoke in zónne leechbroène diek gewatteerde jas. Maar ja, de wils zónne mins ouk in ut gesprek betrekke.
‘Mòt geej ouk aan de ouge geholpe waere?’, vroog ik. De man keek strak veur zich oèt, makde met ziene linker-erm zón bewaeging die Lee Towers ouk altièd mak en zag: ‘Nae, ik wach op d’r mam!’.

En toen wis ik ut metein, die stum en die bewaeging met daen erm. Ik dreide mich um nao Marijke en fluusterde zachjes: ‘det is Dion Graus, det kamerlid van de PVV’. Ut iès waas gebraoke en noow zote we allemaol gezellig met-ein te kletse. Ouk Dion, dae op zien 83-jäörige mam bleek te wachte, had zien mobieltje in zien dieke gewatteerde daeke verstop. Blièkbaar vónd die vreejwilligster die aan zón täöfelke zoot det zoeë gezellig, det ze beej ós kwaam zitte. Maar zoeë gezellig woord ut neet met die taart d’r beej, met un bekakde Mestreechs-Hollandse stum begós die eur hièle gedeuns aan ós oèt te stalle. Zelfs euver eure Indische mins dae neet mièr zoeë good kós.
‘Ik maak vanaovend aoveschóttel veur miene mins’.
‘Wie maak ge dae klaor?’, vroog ein van de Panningse vrouwe um tösse dae kwazel-waterval te kómme. Nou, erme mins dóch ik. Wat macaroni, reepkes goodkoupe ham, bietje geraspde kieës en wat paneermael. De dames wiste nog un paar culinaire tips te gaeve, waarschiènlik umdet ze kómpassie hadde met dae mins.

Maar die taart schödde met eur haor, brach eur sjaaltje in un andere positie en sneej ut volgende ónderwerp aan.
‘Ik ga graag op vakansie, Marokko vind ik zón geweldig land!’. Ik dóch oei-joei, det zal Dion Graus neet gaer huùre. Maar die braomel wis neet det ze taegeneuver unne Wilders-apostel zoot, dae van die  mièr-of-minder Marokkane.
‘Nou, wiste jullie dat in Marokko weinig Corona voorkomt? Die mense omhelze mekaar gewoèn, die leve allemaol in unne bubbel, zoó aardig’. Ik dóch noow mót ik ingrièpe, want emus naeve mich begós zwaor aom te haole en ik zag hièl veurzichtig:
‘Nou, die Marokkane reize waal erg vuùl op en neer nao Nederland. Of det zoeë leuk is in dezen tièd?’. Maar die taart goof neet op en schödde nog ens wild met euren boes haor: ‘Nou ja, het zijn wel allemaol hiele aardige luuj’. Ik veulde Dion Graus naeve mich op ziene stool schuùve en un paar kièr deep kuùme. Haos makde ik un groeëte fout en heel mien vraog net binne:
‘Nou mevrouw, wat zuujt geej gaer in Nederland wille: mièr-of-minder Marokkane?’. Ik kós mich nog net inhalde.

Van de operatiekamer kwaam un ald vruiwke in unne rolstool, de ouge diek in ut verband. Ut waas de mam van Dion Graus. En same lepe ze incognito van de ougpoli.