dinsdag 11 augustus 2026

De Witte Dame van het Gebroken Slot

Als we binnendoor over de Venloseweg (eigenlijk zou die Blerickse weg moeten heten) van Blerick naar Grubbenvorst fietsen, genieten we altijd van die idyllische weg, omzoomd met bomen. Rechts stroomt de Everlose beek en net voorbij de Slottermolen zien we aan de rechterkant op een kunstmatige heuvel de grillige restanten van het Gebroken Slot. Het is de passende benaming voor de ruïne van de oude burcht Grebben, die al eeuwenlang verwijst naar de zwaar verwoeste staat van de burcht.

Ik werd gegrepen door de geschiedenis van Grubbenvorst toen ik het overlijden op 23 oktober 1700 tegenkwam van mijn rechtstreekse voorvader Jacobus Peters. Pastoor Petrus van Neer schreef letterlijk: ‘23tia octobris (1700) Jacobus villicus in de Steegh mortuus inventus est in propria caruia ex Blerick redux’. Hij was pachter op de Steegh en werd dood aangetroffen in zijn eigen koets, op de terugweg van Blerick. En telkens als we over die mooie weg langs de Slottermolen fietsen, moet ik aan hem denken.

Steeds als ik omhoog kijk naar die treurige ruïne, moet ik ook steeds denken aan die sage van de Witte Dame. Zij schijnt ’s nachts bij volle heldere maan en grimmig jagende wind rond te dolen tussen de restanten van die oude motteburcht. In een zoektocht op internet kom je verschillende versies tegen. Ik probeer een paar historische feiten te verwerken in mijn eigen verhaal. Maar we gaan eerst terug naar de historie van de motteburcht Grebben.

De in vroeger tijden ommuurde vierkante of rechthoekige burcht bestond uit twee vleugels, een kleine binnenplaats en twee ronde hoektorens. Om overlast bij extreem hoge waterstanden tot een minimum te beperken was het kasteel gebouwd op een kunstmatig aangelegde heuvel op de westelijke oever van de Maas. Daarom is het kasteel te rangschikken onder het kasteeltype motte. De attente passant zal dat duidelijk herkennen, die dubbele bescherming tegen het hoge water en eventuele indringers. Met handkracht door de Grubbenvorster voorouders als een soort herendienst opgeworpen.
De naam Grebben wijst op een ligging nabij een holle weg. De naam Gebroken Slot zou afgeleid kunnen zijn van de aanduiding op de plattegrond voor (nooit uitgevoerde) herbouw uit 1623, waar sprake is van een 'wie man das gebrochen Schlos zu Gribben Vorst bauwen könte '

De allereerste vermelding van de burcht is in een leenaktenboek uit 1311. Willem van Millen draagt zijn huys Gribben als open huis op aan de graaf van Gelre. Hij bezat in 1308 de maastol van Grubbenvorst en Venlo. Zijn vader heette eveneens Willem en was reeds voor 1272 overleden. De burcht vererfde via zijn dochter Elisabeth aan de graven van den Bergh die het in 1386 verkochten aan Frederik van Wevelinghoven. Naderhand kwam het in 1645 aan Dirk Schenck van Nijdeggen en via vererving ging het over in de familie van Hoensbroeck. Sinds 2013 is de familie Van den Hombergh eigenaar van het Gebroken Slot en het bijbehorende landgoed.

Het kasteel werd twee maal verwoest. De eerste keer in 1511 door de Schotse troepen van Maximiliaan van Oostenrijk. De tweede keer in 1586 door de Spaanse troepen van de hertog van Parma. Sindsdien is het nooit meer herbouwd. De restanten van de twee torens werden in 1944 opgeblazen door de Duitsers, toen ze bij hun vertrek de stellingen opbliezen die ze in de motteburcht hadden opgesteld. Zoals eerder aangegeven staan nu alleen nog enkele brokstukken op de motteheuvel.

De sage van de Witte Dame van het Gebroken Slot vertelt het tragische verhaal van een ontrouwe dame, een vermoorde jonge ridder en een vloek die de dame dwingt om eeuwig als een witte gedaante rond te dwalen tussen de restanten van de ruïne.
De jonge ridder, die uit zijn land moest vluchten, vond onderdak in herberg ‘onder de Eyckelboom’ in Grubbenvorst. Al de eerste avond kreeg hij gevoelens voor Anna, de beeldschone dochter van herbergier Nylys ingen Eckelbom. Zij bracht hem zijn avondmaal en bleef even met hem praten. Haar blonde haren opgestoken, met een bescheiden wit hoofdkapje dat haar heldere blauwe ogen nog meer accentueerde. Ze raakten in gesprek en hadden duidelijk een klik. De jonge ridder besloot meteen om nog enkele dagen te blijven in de herberg. Hij raakte smoorverliefd maar wist niet dat Anna reeds verloofd was met een jonge man uit Lottum. Toch zag men hen samen regelmatig in het dorp wandelen en in de herberg zochten ze elkaar steeds op. Maar zoals dat gaat, werd er in het dorp geroddeld en ook zonder sociale media kreeg haar verloofde uit Lottum dat te horen. Hij kwam haar op ’n avond opzoeken, ze maakte samen een boottochtje en haar verloofde wilde nu wel graag weten hoe het zat. Ze peddelden samen langs de maasoever in de richting van het Gebroken Slot. Wat zij niet wisten, was dat de jonge ridder op dat moment een wandeling maakte langs de vermeende burcht van zijn verre voorouders.

In z’n gedachten mijmerend over zijn beeldschone Anna hoorde hij plotseling een zoetgevooisde stem vanuit een voorbij dobberend bootje. Het was de stem van zijn uitverkoren Anna die duidelijk hoorbaar tegen iemand zei:
Meen niet dat mijn hart aan deze vreemdeling toebehoort. Je weet dat ik slechts jou bemin’.
Het was alsof het hart van de jonge ridder brak omdat hij dacht het hart van Anna te hebben veroverd. Hij sprong naar voren en daagde haar verloofde uit voor een duel aan de voet van het Gebroken Slot. Maar de fijnzinnige jonge ridder moest het onderspit delven tegenover die krachtige boerenzoon. Hij werd door zijn rivaal neergeslagen en levensgevaarlijk verwond. Terwijl hij stierf, sprak de jonge ridder een zware vervloeking uit over het meisje. Hij vervloekte haar omdat haar bedrog zijn hart had gebroken. Nooit meer mocht zij rust vinden:
‘Wee, drievoudig wee! Gij zult geen rust meer vinden op deze aarde en ook nog na je dood zul je voor altijd aan deze ruïne gekluisterd blijven’.

De beeldschone Anna stierf drie dagen later aan hevige koorts. Vanaf die tijd moet zij ronddolen op het Gebroken Slot, jammerend om haar vermeende ontrouw. Wat er met haar verloofde gebeurde, vertelt de sage niet. Wel dat de vloek niet beperkt bleef tot het weeklagend ronddolen van de Witte Dame. Onder de inwoners ging lang het verhaal rond dat wie de Witte Dame tart, een zware prijs betaalt. Zo gaat het verhaal over een trotse boer die in de 20ste eeuw blufte dat hij wel met die witte geest zou durven dansen, waarna hij de volgende ochtend dood in zijn bed werd aangetroffen. In de Tweede Wereldoorlog wordt een Duitse tank op een vreemde manier vernield, had de Witte Dame dit op haar geweten?

Zou ook de dood van mijn rechtstreekse voorvader Jacobus Peters op die avond van 23 oktober 1700 met de Witte Dame te maken hebben? Hij werd dood aangetroffen in zijn koets, op de terugweg van Blerick bij het passeren van het Gebroken Slot.

Maar ergens moet die sage ontstaan zijn. Het begint vaak met een klein bolletje garen en geleidelijk wordt het bolletje alsmaar groter. Daarmee werden de verhalen ook steeds sterker. Er moeten ooit voorvallen hebben plaatsgevonden, die dat eerste bolletje garen hebben gevormd. Ik heb er twee gevonden. Pastoor Nicolaus Nobelmans noteerde tussen 1638 en 1674 niet alleen maar de overlijdensdatums, maar maakte er vaak een heel verhaal van. Ik heb er twee uitgepikt, misschien laten ze bij jullie ook wat garen spinnen.

Grubbenvorst 06-04-1648; anno 1648, die sexto aprilis Jacobus antehac famulus op Barsdunck nunc vero miles in fortaelicio s. Michaelis p(ro)pe Venlonae ab Hollandis interceptus, circa ripam Mosae vulgo aen dij Vollmueler Beeck globo sclopeti inter scapulas a torso transuerberatus lethaliter est, quo dicto in laco, p(re)sentibus ad huc hostilibus copijs suum pectorum c(on)fessionem coram me deposuit, & sacramentus munitus Horstiens auectus 9 aprilis in d(omi)no obdormivit hic, post vulnus inflictum p(ro)prio motu legauit pauperibus nostris 80 florenos cuius a(n)i(m)a in pace requiescat.

Op 6 april 1648 werd Jacob – voorheen in dienst van de familie Barsdunck, maar destijds soldaat in de vesting Sint-Michiel bij Venlo en door de Nederlanders onderschept – dodelijk getroffen door een musketkogel die zijn borst doorboorde, vlak bij de oever van de Maas, op de plek die algemeen bekendstaat als aan de Vollmueler Beeck (watermolen). Daar, terwijl er nog vijandelijke troepen aanwezig waren, deed hij zijn biecht bij mij; gesterkt door de sacramenten werd hij naar Horst gebracht, waar hij op 9 april in de Heer ontsliep. Na het oplopen van de verwonding schonk hij uit eigen beweging 80 gulden aan onze armen. Moge zijn ziel in vrede rusten.

Grubbenvorst 16-01-1660 anno 1660 die decimo sexto januarij obijt in d(omi)no Borchardus Kiespenninck /: vir annorum 33 :/ ex vulnere pectorale a Francisco ab Arts in Lotthum inflicto, quo accepto supervixit a meredie diei subsequenti ad horam sextam matutinam bene p(er) pastorem Lotthumensem ad mortem felicem dispositus, requiescat in pace.

Op 16 januari 1660 overleed in de Heer Borchardus Kiespenninck, een man van 33 jaar. Hij bezweek aan een borstwond die hem was toegebracht door Franciscus van Aerts uit Lottum; na het oplopen van het letsel bleef hij nog in leven van het middaguur van de voorgaande dag tot zes uur de volgende ochtend, nadat hij door de pastoor van Lottum goed was voorbereid op een zalige dood. Moge hij in vrede rusten.

Tegenwoordig is het allemaal wat vriendelijker. De Witte Dame wordt nu als hoedster en beschermvrouwe van Grubbenvorst gezien. Mijn vrouw en ik fietsen door tot aan het pleintje waar eens de herberg ‘onder de Eyckelboom’ stond. Schuin tegenover ligt nu Hotel Restaurant ‘Boutiqe’ in de Witte Dame. We zoeken een plekje aan een tafeltje tegen de witte muur. Een vriendelijk en beeldschoon meisje met blonde opgestoken haren en helder blauwe ogen vraagt:

Wat meug ut zièn’..

zaterdag 1 augustus 2026

Un golde Festina-trio beej de fysio

Veer waeke truuk kreeg ik un nieje hertklep en vurrige waek moch ik beginne met therapie. Eindelijk, want ik had lang genóg op mien luij kónt gezaete. Allein al mien trainings-spulle te meuge aandoon, veulde al good. Handook en fleske water in un stóffe teske en ik waas d'r hielemaol klaor veur. Eigelik is boète traine al haos 70 jaor mien dingk, binne traine vind ik niks. Maar noow meus ik d'r aan gluive. Ik meldde mich same met mien vrouw in zón groeëte ruùmte vol met van die zwart-grièze ingewikkelde apparate. Rechs van ós snelwandelde unne euverdréve zónnebank-gebroènde jóng vol met plekplaetjes op unne loupband. Naeve um leep strak in ut zwart un klein aafgetraind maedje, zien paerdestertje bewoog mei op ut ritme van zien gehäösde peskes. Ik dóch metein hardop: 'Wie vuul moèjer en gezónder zuuj det zièn as die same boète ginge wandele, heuvelke op, heuvelke aaf in de Blierickse Berg?'.

'Aah Jan', huùr ik aan d’n andere kant. Dao zit emus van wièd in de 60 ermke te drökke op zón duuster apparaat. Potdomme, dae kin ik, hae slingert mich 35 jaor truuk in d'n tièd. De manne van Festina hadde un baeresterke ploog in de competitie. Met aafstand de allersterkste oeits. En dae noow ermke zit te drökke waas unne wat slome maar verdomde gojje atleet. Ózze op ein nao beste man op hoeëgspringe en ouk verdomde good op de 400 maeter. Aan werpnummers had-e unnen haekel. 'Werpe liek mich te vuul op werke', waas ein van zien gevleugelde oètspraoke. Ik goèjde hiel wat wiejer as um en as ik um perbeerde aan te spaore, kreeg ik te huùre: 'Dich hebs good lölle, dich hebs 10 jaor langer kinne traine!'. En det klopde ouk nog ens, want hae is van 1957 en ik van 1947. We wisselde ós medische gegaeves oèt en ik klóm in mien ierste apparaat. Meus d'r vièf doon en dan op alle vièf dreej series van vièf herhalinge. Intösse druimde ik euver dae geweldige competitie van de jaore 60/70. Un golde periode beej Festina.

Ik bin bezig aan mien letste marteling: ‘leg-presse’. Schuuns veur mich zeen ik unne hièlen alde mins zien ónderbein traine. Hae haet unne spierwitte wilde kop haor en unne dito groeëte wilde snor en dito winkbrauwe. Ik kós dae erges van en meus waal 65 jaor truuk in d’n tièd. Det waas ein van de veer 800 maeter loupers die in 1961 bróns haolde op de 4*800 maeter op de Nederlandse kampioenschappe. En hae waas d’n beste met de moèjste bewaeginge as un hinde. Prachtig um te zeen. Zien aldere broor waas nationale top met crosse en de langere aafstande. En dae had unne ónverzettelikke trainings-ièfer maar leep stampend en sloefend as un ald paerd. Maar zien jónger breurke trainde neet zoeë vuul en heel ut beej de 800 en 1500 maeter. In daen tièd waas d’r gen atletiekbaan en as klein menke trainde ik mei op de wandelpade van ut Julianapark. Zoeë kóste we tempo-traine op unne óndergrónd van sintels.

Dök moch ik sóndigs met um mei-rieje nao baanwedstriède in Nederland en Pruusses. Ik haolde iddere finale op welk ónderdeil dan ouk en genoot tösse-door van zien prestaties. Ik sprook um aan en lag mien hand op ziene schouwer. Mien herinneringe vloge truuk nao die golde tièje beej Festina. Nao mien vièf apparate zoot ik same met mien vrouw oèt te puffe beej un tas kóffie. Zwiègend dóch ik truuk op mien al 69-jäörige noeits ónderbraoke carrière as actieve atleet. En ónderwaeg nao hoès druimde ik um kómmend jaor die 70 vol te make.

Ik heb bewus de name van die golde Festina atlete verzwege, maar ze zuuje beej óch bekind mótte zièn.

Mienen daag kan neet mier kepot,
un golde Festina-trio beej de fysio.

vrijdag 17 juli 2026

Effe greeke

Ech waal un geweldig idee van die Venlose met eure greekbaer. Humor, nostalgie, kuns en historie in ein massief beeld gevange. Weej in Blierick mótte ut doon met twieë van die halve hiepe op de mèrt. En die liekene in de vaerste vaerte hielemaol nörges op. Op zien plat gezag: wie un tang op un verke.

Noow kóm ik zelf dus van Blierick en natuurlik hebbe weej dao ouk altièd waal wat te greeke. Laote we ens kièke zón 70 jaor geleeje beej ós thoès. Alleriers makde ós mam mich dökker oèt veur unne vraetbaer. Det waas haos iddere zaoterdig raak nao mien zoe-vuulste sneej verse witte mik van Hadje Tiètelaer met diek de bótter d’r op en wao de gekleurden hagelslaag van De Ruijter net op bleef ligke.

En as ik ózze pap te vuul aan ziene kop zanikde of ik mei moch gaon visse nao d'n Kaolentip, dan neum de hae mich unne greekbuul.
Noow leet Venlo aan d'n andere kant van de Majjem maar begrièp ge aevegood det ik effe ut spaor kwièt bin? Dae greekbaer vlook toch behuùrlik met mien eige ervaring, opvoeding en de taal van mien elders.
Wat unne baer is, det weite we waal. En unne buul is unne zak, meschiens symbolisch un pepeere täöt. En wat minder symbolisch unne vervaelende poepzak. Maar wao löp ut beej mich spaak?

Ós mam neumde mich unne vraetbaer en veur ózze pap waas ik unne greekbuul. Ut liek un bietje op mei-lifte met die Venlose, maar ik vind det die halve hiepe aan vervanging toe zièn.

zondag 12 juli 2026

Stone skimming

Ik loos det in Maaseik ut Belgisch-Nederlands kampioenschap Stone Skimming waas gehalde. Niejsgierig wie ik bin meus ik weite wat det waas. En wat dinks se?? Gewoeën op zien Bliericks gezag: schielvere!! Met platte steinkes zoe-wièd meugelik euver de Majjem ketse. Deje weej vruùger al as kleine blage. We zóchte wat platte stein en probeerde die nao de Venlose kant te ketse. Net wie Jaer en Sef op dae zónnige zaoterdigmiddig.

Ze leepe same zoeë doeën meugelik naeve de Maas zoe-det de scheunkes net neet naat woorte. Jaer schöpde taege unne stein en dae stuiterde eine kier op ut water! ‘Verroes’, zaet Sef, ‘we doon unne wedstrièd schielvere’.
En hae bukde zich en rapde unne rónde platte stein op en heel dae umhoeëg as of hae unne zeldzame diamant had gevónde. Jaer keek um wat lachend aan:
‘Dae? Det is genne schielverstein, det is unne mislökde pannekook’.
Ze meuste d’r allebei met lache maar ginge waal op zeuk nao zoeë vuul en zoeë plat meugelikke rónde stein. Die ieuwelank ware gesleepe en aan de kant gerold door ut Maaswater. D’r loge d’r genóg en effe later veele de korte bókse zoe-wat van eur kónt. De bókse-tesse vol met schielverstein. Jaer meus zien bóks ophalde en zag:

‘Welke regels spraeke we aaf?’.
‘Wae ziene stein de meiste kiere luuet ketse!’
, zag Sef.
‘En ouk dae ut wietste kump. We perbere de Venlose kant te bómbardére’, zag Jaer.
‘En dae verluus?’.
‘Dae mót op de bloeëte veut nao hoès!’
.
Jaer greuzelde. ‘As die platveut van dich dao maar taege kinne.’
Sef moch beginne. Hij pakde ziene ierste stein tösse doèm en wièsvinger, bukde zich wat veur-euver, haolde deep aom en leet ziene stein met unne sierlikke zwei euver ut water ketse.
Tik . . . .tik . . .tik . .tik . tik . . .
‘Vièf kier, hebs se det gezeen?’ Sef vergoot effe zien zwaore tesse en makde un sprungske. Hae kós nog net zien bóks redde.
‘Jao jao’, zag Jaer, ‘ik zoog des se zoe-wat in de Majjem kiepersde’.

Noow waas ut de beurt aan Jaer. Hae dreide met ziene gestrekde rechter erm wie hae det gezeen had beej hónkbal en beej cricket.
‘Let op breur, zoeë mós se det doon!’.
‘Zjoeppp’. Aoh jeij, de stein vloog linae-recta de Majjem in.
‘Eine kier’, kós Sef nog net oètbringe en barsde van ut lache, ‘sensationeel, met eine kets direk nao d’n baom’.
Jaer stónd d’r wat beteuterd beej te kièke en zoog zich al met bloeëte veut op hoès aan gaon. Maar hae herpakde zich:
‘Det waas um te perbére’, mómpelde Jaer.

De tesse rakde laeg en Sef stónd nog altièd veur. Jaer begós nog fanatieker te zeuke nao dae ultieme stein:
‘Heej veul ens, zoeë glad wie un stökske zeip’. Sef knikde wat benépe en Jaer zat aan:
Tik . . . . . . . .tik . . . . . . tik . . . . . tik . . . .tik . . .tik . .tik...
‘Zeve kier!’ schrieëwde hae. ‘Ik lig ierste! Ik waer de kampioen!’.
Hae spróng op en gleej oèt euver die gladde maaskeie. Achtereuver dónderde hae met zien kónt met unne ‘ploens . . ‘ in ut water.
‘Helluppp . . . ‘, schrieëwde Jaer en Sef barsde ut oèt van ut lache. Un bietje wiejer zoot unne aldere mins röstig te visse en dae schrók van ut kabaal van die twieë sneuzels.
‘Maar jónges’, zag hae hiel druueg, ‘ik vis heej al dertig jaor, maar geej ziet de ierste twieë die mier leweit make dan de aende’.
As of ze ut begrepe hadde, begóste un paar niejsgierige aendjes te kwake en makde zich oèt de struùk.
Jaer schravelde zeiknaat oèt ut water en ut spelke schielvere waas aafgeloupe. Die zeve kier van Jaer bleek de hoeëgste score.
‘En det beteikent?’, zag Jaer hiel häöskes en schödde metein dao nao ziene nog druuege kop, ‘laot die bloeëte veut maar zitte Sef’.

Effe later zote ze same op te druuege op un benkske naeve de Staaiwaeg en keke oèt euver die altièd moèje moder Maas.
‘Wets se’, zaet Jaer, ‘volgende waek neem ik miene getrainde super-schielver-stein mei’.
‘Wat zaes se? Unne stein wao se met geoefend haes?’.
Sef verslikde zich haos van ut lache. Want örges midde in de Majjem loog dae perfekte platte schielverstein. Te wachte op unne volgende nog maffere wedstrièd.

En astebleef: Stone Skimming!! Laote we ut bieësje gewoeën beej de Blierickse naam neume: Schielverstein!!

dinsdag 7 juli 2026

Un niej klepke

De letste daag meus ik un paar kier dinke aan wat Neil Armstrong zei wie dae ziene ierste stap op de maon makde in 1969: ‘That's one small step for man, one giant leap for mankind’. En ik zoog det veur mien hertklepke dan andersum: ‘Veur de waereld um mich haer beteikent zón klepke niks, maar veur mich beteikent det de hièle waereld’. Vurrige waek vrièdig waas ik in Eindhove ein van de vièf gelökkige die un nieje hertklep kreeg. Miene cardioloog zag det d’r allein in dit ziekehoès zón 500 minse per jaor un nieje klep krege. En de wachlièste ware langk, mier vraog dan capaciteit.

Veur mich begós de lange waeg in juni 2022, ik waas gauw muùg, had vóch in de bein en miene hoèsarts huùrde unne ruis op ut hert en steurde mich door nao de cardioloog. Mien alder zuske had mich al gewaarschuwd: ‘Pas maar op, as se dich in ut vizier hebbe dan vinde die van alles en laote neet mier los’. En beej mich waas det zier zeker ut geval. Iers woord ik anderhalf jaor (verkièrd) behandeld door de reumatoloog. Toen bleek det ik kanker had en kwaam ik in un alles verwoestend trajèk van chemo en immuno. Via de dermatoloog, neuroloog, reumatoloog en andere loge kwaam ik oèteindelik weer beej de cardioloog. En um un langk verhaol kort te make, vurrige waek waas ut zoe-wièd. Ik kós mich melde op zeve-hoeëg in Eindhove. Idderein um mich haer waas zenewechtiger as mich. Want un hertoperatie is neet niks, 1% geit de pièp oèt en 10% helt d’r wat aan euver. Maar ik wachde al zoeë lang op mien klepke, ik waas hièl óntspanne, eindelik ging ut gebeure. Altièd muùg zièn, nog gen 100 maeter kinne wandele, miene actieradius woort alsmaar kleiner. En ut ergste meschiens waal, ik sleipde mien vrouw met in miene élend.


We melde ós veur de inteek. Un allerleefste verpleegkundige had mich ut haemp van de bóks gevraog en alle sinjale stónde op greun, de volgenden daag um ach oor waas ik as ierste aan de beurt. Ik kreeg smorges um half ach zón greun jeske aan en van ónder niks. D’r woord alves un infuus aangelag en we ginge op paad. In de veurbereidingskamer loge d’r al elf te wachte op de slachbank, ik waas nummer twelf. Efkes euver ach kwaam un gans-in-greune anestesiste mich ophaole en stelde mich gerös. Ik zuuj allein un plaatselikke verdouving kriège en zuuj alles gaon metmake. Ik woord un enorm groeëte operatiezaal binne gereje en mien ritje stopde naeve de bekinde groeëte harde plank.
‘Kind-ge un bietje mei helpe?’ en hoppa schoof ik van mien zaachte bedje op die harde plank met twieë ziejplenkskes veur de erm. Dao kwame ze aan, zeve man / vrouw sterk tösse de apparate, de kleine, groeëte scherme en enorme lampe door. De anestesiste kwaam achter mich staon, streek euver mien mutske en vertelde wat d’r ging gebeure. Maar die mich kinne, weite det ik det allemaol waal tieën kier had gelaeze en doorgewerk. Ik zag taege eur:
‘Laot ze maar good eur werk doon, ik hald mich gans óntspanne en laot ut röstig euver mich haer kómme'.
‘Zoeë wille we ut hebbe’, zag de cardioloog en ging zien dingk doon. Mien rechterlies en rechter-ónder-erm woorte verdouf en veurzeen van ‘buuskes’ det ze baeter nao binne kóste. Intösse vroog de cardioloog of ik femielie van Chriet Titulaer waas. Och God, ouk det weer! En ik begós maar metein zónder de ónmisbare dia’s aan mien vertrouwde laezing euver Maasschippers en femilie Titulaer. Maar ik merkde al gauw det ze róndum mich haer met andere dinger bezig ware en heel wiejer de moel. Ut ging noow ech gebeure. Via de erm kwaam unne draod nao mien hert, det waas unne tièdelikke peesmeker. Toen woord de nieje klep via de lies in fases ingebrach. Beej iddere fase woord mien hert op hol gejaag. En toen hoord’ik:
Ik gaef um nog un stuuetje en dan zit-e good’.
Op un scherm naeve mich kós ik met kièke.
‘Hae krieg nog un extra stuuetje en dan zit-e perfek’, waas ut volgende kómmentaar. Blièkbaar waas ut klaor. De dräödjes woorte d’r oèt gehaold en de wundjes hiel stevig aafgedrök um slagaderlikke bloedinge te stoppe. Ik vroog aan de cardioloog of alles good was gegaon. Hae keek mich aan:
‘Alles ging prima, ut klepke zit perfek en duit zien werk’.
‘Danke dokter’
, zag ik oèt de grónd van mien nieje hert.
‘Geej ouk bedank’, zag de cardioloog. En de anestesiste achter mich die de veurbeeje anderhalf oor allein maar op unne röstigen toeën alles van teks had veurzeen zag:
‘Zeker, ge heb óch veurbeeldig gedrage, we maken ut dök anders mei’, en ik veulde mich inens hièl gelökkig waere.

Ze brachte mich truuk nao de oètslaopkamer wao d’r un stök of tieën loge oèt te slaope. Heerlik, ik kreeg un water-ieske en luusterde tevreeje nao mien hert. Un oor later moch ik truuk nao de aafdeiling wao mien leefste vrouw en miene leefste zoon mich al stónde op te wachte. Ik veulde traone opkómme.


zaterdag 27 juni 2026

Unne schuùlbivak in d’n ozel

Ut is 26 juni 2026, boète unne strakblauwen hemel en ut is 40ºC. Binne is alles toe en dónker gemak en met de airco is ut waal vol te halde, maar neet te vuul bewaege. Alle rame en deure zien toe um dae kopere ploert aaf te scherme. Ik veul mich neet zoeë good en gaon op bed ligke.
Ik val in slaop en druim van militairen deens van mier as 60 jaor geleeje. In mien basisopleiding kreege we un commando-training. Ik waas weer truuk in dae schuùlbivak op de Drunense duine.

Ut waas unne ièskalde november en ózze sergeant had beslaote met ós schièn-oorlogje te speule. En hae had ós as lamlendige figurante nuuedig um ut laeve zoeë zoor meugelik te make. Ózze vijand heel zich verborge achter dae groeëte zandberg aan d’n euverkant in de Drunense duine. Weej hadde ós kampement opgeslage achter un duinpan aan de rand van de bös. Ós verdedigingslinie bestónd oèt twieë schuttersputjes met dao achter twelf halve tentjes, veur iddere man ein. Good in ut zich van de vijand en nog uns extra ónderstreep door ut geschrieëf van ózze sergeant, hadde we die schuttersputjes gegrave. Ze meuste 90 centimaeter breid en anderhalve maeter langk zièn. En dan presiès eine maeter 70 centimaeter deep. Keurig aafgewerk met inein vallende plenk róndum. De sergeant waas gruuets op zien holtere kiste in de grónd as of hae ze zelf gemak had. En veur un groeët deil waas det ouk zoeë. Ózze sergeant waas unne echte commando. Un tenger menke met un fièn snörke baove die altièd same geknepe lippe. Strak in ut pak, un greune baret nog strakker wat euverdreve euver dae rot-kop getrokke. Hae zag neet vuul, goof strakke commando’s en vónd ut zichbaar leuk um met ós te speule. Iddere poging tot eige initiatief woord hiel gemein aafgestraf. We meuste sergeant taege um zegke maar we neumde um ónderein ‘geniepig’.

Veur ut opzette van det halve tentje meuste we iers ós eige graaf delve van 0,75 beej 2,20 maeter en 25 centimaeter deep. Det halve tentje kwaam dao baove half-aope te staon en ózze slaopzak kwaam in die koel te ligke. We slepe neet allein want ós persuuenlik waope meus met in de slaopzak. Net wie ik de vóchtige kalden baom wat bekleide met zaach mos en wat dennenäöldjes, stónd geniepig naeve mich. Ik schrók mich de miès.
‘Soldaot Titulaer, wat waas de opdrach? We zuuje ós eige graaf delve en gen liefdesnesje inrichte. As de sodemieter die erotische vloerbedekking d’r oèt’.
Ik schraapde mien zaach metreske oèt mien graaf en veulde de kalde nate gaele zand ónder mien vingernaegel. Maar ik kin óch gerös stelle, ik heb heerlik gepit in mien hölke. Nou ja, in die paar eurkes die ós gegund ware.

Ut ‘kader’ had intösse un geweldige groeëte tent opgezatte, kómpleet ingerich met un lange taofel, steul d’r rónd umhaer en un wat euverdreve holtkachel. De lange schoorstein-pièp stook as unne gigantisch opgestaoke middelvinger nao de vijand aan d’n andere kant. Un paar euvermaotse petroleumlampe bingelde aan ut tentdaak. Weej zote in d’n ozel, zeej in de weldadige wermte. Wat mótte die ós lière? Waas dit un schuilbivak? Mien grièze hersecelle vroge zich aaf: ‘Wao zièn we met bezig?’

De ierste oefening begós. Hae wees op daen duintop aan d’n andere kant. Dao zoot de vijand en dae meuste we ónzichbaar oètschakele.
‘En mótte we dan ouk ózze camping verplaatse nao d’n andere kant’, waogde d’r eine. 
Geniepig persde zien lipkes nog mier op-ein, zien ouge woorte spleetjes, hae leep roeëd aan en schrieëfde:
‘Allein ik stel heej de vraoge, allein ik gaef heej de antwaorde en allein geej dót wat ik zeg. Presiès, ónveurwaardelik en ónverschrokke . . . BEGREEPE??’., Nou ja, det waas tenminste duùdelik. Ós ierste opdrach waas det we ós meuste camouflere. Alles wat maar enige schièn van bling-bling had, meus ónder un dieke laog met zoeë-geneumde ‘blenko’ waere aafgedek. Zónne dieke greune plekzooi. Wiejer meus iddere vorm, wat de vijand-van-de-waek ut vermoede goof det weej soldaote ware, aafgezwak waere met graas, tekskes en wat blajer.

We doke de struùk in veur ós maskerade. Alle koper, wao we waeke op gepoets hadde, meus ónder un dieke laog van dae greune derrie. Tösse ut camouflagenetje van d’n helm stook ik wat tekskes en wat langk graas. Nog wat greun aan de gevechsbepakking en wat zwarte strepe op ut gezich. Haej, geniepig floot geniepig hard en idderein makde zich letterlik oèt de struùk. Wat toen gebeurde waas ein van die ónvergaetelikke momente van miene deens-tièd. Ik meus haos piesse in mien legergreune bóks en de traone rolde mich euver de zwart gemakde wange. Dao stónd d’r eine met unne kómplete berkenboum tösse zien reem gefroemeld. Dao naeve stónd eine met van die kleurige paarse hei gedrapeerd as unne blome-krans um ziene helm. D’n derde had van die groeëte puùs helmgraas tösse de reem gedouwd. Met de wortels nao baove en die lange peemels nao ónder. Ut leek neet allein, nae, ut waas gewoeën un ech reete rökske. Ut had gen porum, maar we voldeeje aan de opdrach: ónherkinbaar as unne troep ónverschrokke soldaote. We ware gans klaor veur d’n Blierickse vastelaoves-optoch. We hoofde allein nog maar te zinge:
Where’s the tiger . . where’s the tiger . . oehoehoe . .’. Allein geniepig dóch dao gans anders euver, hae kierde zich van ós aaf. Ik wis noow metein wao ut waord aafkier vanaaf kwaam. Mich rolde de traone euver de wange, geniepig stónd met de rök op ós toe. Hae stampde met allebei zien soldaote-kisjes op de grónd en hae bewoog wild met allebei zien erm. Hae goof genne kik en wie hae tot bezinning waas gekómme ging hae röstig idderein langs um ze te knippe, kappe, schaere en beej te werke met wat greun. In alle rös, as ware weej twelf kers-stökskes, woorte we umgevormp tot gecamoufleerde soldaote. Hae deej un paar passe achteroèt, zoog det ut good waas en schrieëwde:
‘Zoeë manne, bekièk óch good! Zoeë wil ik ut hebbe’.

Ut verovere van dae zandheuvel kós eindelik beginne. De bedoeling waas um slalómmend door die aope duinpan, van de eine dekking nao de volgende dekking ónzichbaar veur de vijand nao baove te slingere. En dan in de letste twintig maeter meuste we angstaanjagend as wilde indiane d’n heuveltop inneme. Ierlik gezag had ik det ouk waal ens gezeen in oorlogsfilms, maar dan gans anders. Dao krege ze óndersteuning vanoèt de lóch of met de artillerie oèt ut achterland. In de meis einvoudige vorm woord d’r minimaal met handgranate gegoèjd! Maar alaa, dit waas maar un oefening! Maar wie zuks se dekking in un ónmaetelikke aope duinpan. Wie kinne twelf euvermaotse kersstökskes zich verberge achter doèm-hoeëge gaele heuvelkes in ut zand. En ouk nog ónderwiel det de vijand óngestoord op ós neer kós kièke en aafknalle. Wat un zinloze missie. Maar ja, ut waas maar un oefening.
Wie we kepot muùg d’n top bereik hadde ónder ut schrieëwe van ‘oe-oe’, ‘uhhh-uhhh’ en ‘aah-aah’ , bleek de vijand gevlaoge, d’r waas nemes te bekinne. Aoh jeij, dao kump geniepig d’n heuvel op gerend. Alle respek, det zoog d’r patent oèt, gojje conditie haet dae vlaegel.

Hiel röstig, maar innerlik kaokend van gif, lag geniepig ós hiel geniepig oèt det ós actie mier weghad van ut ónervare ierste kier neme van unne maagdelikke venus-heuvel. En det angstaanjagend schrieëwend inneme van d’n top leek volges um mier op ingehalde steunend klaorkómme.
Det meus dus anders. Mier snelheid, mier spirit, mier gecoördineerd en fanatieker slingerend umhoeëg. Nog mier zigzagge en ós ech in de dekking pats op d'n boèk laote valle. Ge begrièp ut al, det inneme van dae kloeëte zandheuvel ging door wies ut dónker woord. Geniepig rakde steeds mier in ós teleurgesteld. En weej in um. Wiejere geplende teambuilding waas veur de res van de waek hielemaol nao de kloeëte.

’s Nachs meuste we um beurte twieë oor wach kloppe in ós schuttersputjes. Eine links, eine rechs, zoeë kóste we mekaar good in de smièze halde. Maar de feitelijke opdrach waas um dae maagdelikke heuveltop in de smièze te halde, dae we al 27 kier hadde beklómme en ingenaome. We hadde unne echte infraroeëd-nachkièker ter beschikking um de vijand scherp in de gate te halde. Maar ja, as we wat zoge, wiste we neet wat we dan meuste doon. Ik had mich van-ze-laeve nog noeits zoeë ónbenöllig gevónde. Mós se dich veurstelle, steis se dao in dae ièskalde novembernach veur de kloeëte van de hermenie twieë oor lang zónne kale zandberg met unne infraroeëd-nachkièker aaf te glouwe. Wat zuuj de kans zièn det dao plotseling unne vijand nao ónder stormp? Ut enige wat ik zoog ware un paar knienkes die speuls in ut zand huppelde. Toch waal leuk.

Achter mich is ut erg lawaaierig in die verleechte bungalowtent van ut kader. De schoorsteinpièp duit zien bes en rouk duchtig. Gegarandeerd waere d’r gigantisch flauwe möp verteld want ik huùr ze aaf en toe euverdreve óngezjeneerd lache. De kachel bört en ik huùr de glazer klinke. En ik zit te vernikkele van de keld en ik bedink mich: ‘Moch ik later erges de leiding euver hebbe, dan zal ik det gans anders doon’. Minse mier geluifwaerdig behandele en veurop gaon in ut werk wao we veur staon.
Inens huùr ik achter mich: ‘En soldaot Titulaer, alles röstig, niks te zeen aan de andere kant?’. Geniepig steit hiel geniepig achter mich en ik zeg:
‘Allein un paar vijandige knienkes sergeant’.
Ik woel wiejer nog opmerke det ut kader de vijand nogal irriteerde met eur oètbundig schuùlbivak-fieësje. Maar ik dóch ‘laot maar zitte’, die lamzek snappe det toch neet.

‘Gojje wach’, zaet geniepig en schravelt nao ut volgende schuttersputje. Ut zièn maar twieë wäörd‘Gojje wach’, maar probeer zelf ens de ónbenölligheid dao van aan te veule!
Effe later waer ik aafgelos en kroèp in miene slaopzak. Ut is steinkald en ouk mien ónwilig gewaer mót met in de slaopzak. Ik heb ièskalde veut en de grónd is neet vuùl wermer en veult keihard aan. Maar de slaop wint ut al flot en ik zak deep weg in druimeland.

Ik schrik wakker in mien kort sportbukske en plekkerig T-shirtje van de zweit. Ut is nog altièd 26 juni 2026, boète steit unne kopere ploert aan unne strakblauwen hemel en ut is 40ºC.

woensdag 10 juni 2026

De zeuten inval

Ik neem óch mei 70 jaor truuk in d’n tièd. Neet alles waas toen baeter, maar alles waas gans anders. Minse leepe zoeë maar beej-ein binne en woorte smeis gasvreej en hertelik óntfange. Minse hadde ut neet breid maar bezeuk van boète ut dörp kós zoeë maar aanschuùve um mei te aete.

Maar d’r ware ouk plaatse wao ut unne echte zeuten inval waas. Ik neem óch mei nao ein van die hoèskamers. Mien zuske en ik ginge sóndig smorges waal ens naar ome Baen en tante Truus. Ome Baen die waas ièzervlechter van beroep en baeresterk. Hae leek un bietje op unne vieking, broène kop, stoppelbaard en dónkerbroène hand van ut rouke. As hobbie waas hae doèvemelker en as we haos beej eur hoès ware dan stónde al minse boète nao de lóch te koekeloere. Mien zuske en ik wachde wies d’r eine reep: ‘Baen, dao kómme ze’. En dan hoorte we baove aan de zölderraam ome Baen rammele met un voorbekske um de doève binne te loekse.

As de doève binne ware ging ut ganse gezelschap ouk nao binne. En weej gans achteraan. Die kleine hoèskamer zoog gewoeën blauw van de roukluch. Ózzen ome Aatje zoot wie unne pallesaot taege de moor naeve d’n dressoir. Tante Truus zoot aan de taofel op unne stool, met ein bein opgetrokke ónder eur stevige kónt. Allebei eur enorme mammedeikes looge op de taofel. Ze dreeide zich halfum en zag: ‘Ah jónges, leuk det ge d’r ziet’. Ze nipde aan eur tas kóffie en stook ut volgende sigretje aan. Ome Baen kwaam de kamer in en vroog mich um de doèveklok weg te bringen nao det kefeeke op d’n hook van de Broekstraot met de Schenck van Nijdeggenstraot. Mien zuske en ik spoojde ós haer-en-truuk want we woele nog effe geneete van dae zeuten inval.

Wie we truuk kwaame zoot de ganse kamer kótsvol met kaerels en vrouwluuj. Ome Baen, dae altièd gojje zin had, zoot as straolend middelpunt in ziene praos. Tante Truus veurzoog idderein van koffie, ut toèt beer of un koenjekske. Un buurvrouw stónd naeve de taofel, dao zagte ze Bonasera taege. Die neumde ze zoeë umdet die waal ens ‘Buona Sera Signorina’ zóng van Louis Prima, waobeej ze zich zelf begeleidde door op de keukedeur te trómmele. Weej spitsde ós uurkes en ik nipde stiekem aan un verlaore koenjekske. Dao kwaam Frits nao ónder met zien trómpet. Blièkbaar had emus gevraog um un stökske te blaoze. Eederein keek nao um. Hae ging naeve zón knap bruudje staon, det hoot Hannelore. Mien zuske en ik stónde links en rechs naeve tante Truus en kóste die twieë net zeen door de blauwe walm. Dao stoeëtde Frits un paar hoeëge noeëte oèt zien trómpet en toen ging ut spel loos. Later zuuj ik det herkinne as ‘Uncle Satchmo’s Lullaby’, gespeuld en gezónge door Louis Armstrong en Gabriele Clonisch. Zeuk ut maar ens op met Youtube. Maar ik kin óch verzeekere: det is ech lang neet zoeë moèj as mien zuske en ik toen metmakde van Hannelore en Frits. Gossie, wat speulde dae Frits moèj en wat zónge die twieë det geweldig: kiepevèl. De ganse zeuten inval heel d’n aom in en ik merkde det ik met aope mónd had geloesterd. Idderein klapde en sómmige vaegde un träönke weg. En ik merkde wie ik de moel toe deej det un dröppelke euver mien kin wegleep.

Minsekinder, ik weit neet mièr of ut presiès zoeë waas maar de ingrediënte kloppe waal allemaol. Tante Truus schödde idderein nog wat in en mien zuske en ik kreege un groeëte tas sóndigse soep met van die lekkere vet-ouge baovenop. Ze zat d’r ouk un fleske Maggie naeve en ik kós mich weer neet beheerse. Ik schödde te vuul van dae Maggie in de soep en die kombinasie verstónd zich neet zoeë good met det verlaore koenjekske.

‘Heb se die kinder al wat gegaeve?’, vroog ome Baen aan tante Truus. Die greep eur groeëte broènlaere portemeneej en zeumerde twieë döbbeltjes d’r oèt. En effe later leepe we weer op hoès aan, miene boèk loog un bietje euverhoup. Maar op d’n hook van ut Nieborgs besloote mien zuske en ik toch maar vièf cent te verpatse. Het aan sókkerpepeer en ik aan un paeperzekske.

Mien zuske waas van de waek beej ós en toen kwaam det van 70 jaor geleeje zoeëmaar beej ós op. Neet alles waas toen baeter, maar waal ónvergaetelik.

vrijdag 17 april 2026

Näöle op mien Bliericks

Ik bin begónne aan mien viefde book in mien eige Bliericks. D’n titel is bewus zoeë gekaoze umdet d’r hiel vuul ónderwerpe zièn waoreuver ik waal wat te näöle heb. Euveriges werk det näöle ouk van twieë kante. Dök schrièf ik wat en dan zet ik det op de sociale media. Nou ja, sociale, d’r wuùrt behuurlik wat bagger euver oètgegoèid. Wao haole ze al die gore creativiteit vandaan? Maar ik kin dao good taege, smeis krölle mien móndhukskes daovan.

Mien Bliericks bedoel ik ech zoeë. We hebbe met veer man ach jaor gewerk aan un Bliericks waordebook en ik staon dao gruuets veur 100% achter. Maar sóms zeg en schrièf ik sómmige wäördjes toch anders. En det meug! Die mich kinne, die weite det ik noeits taege emus zeg: ‘Det hebs se verkièrd geschreve’. Nae, sterker nog, ik bin bliej met idderein dae in ut dialèk probeert te schriève. Zoeë waogde d’r eine te zegke det mien vader zaliger zich altièd vergis haet!? ‘Leeve pap, ut waas neet Haoreskempke maar Hooriskempke, fout – fout – fout!’. Dae klojo dae mót oèt Venlo kómme.

Á propos Venloos. Lets had ik un laezing euver Blierick gegaeve. Stónd un vruike al un tiedje achter mich te treuzele wie ze vroog: ‘Waorum heb geej unnen haekel aan Venlo’. Ik schrók dao van en ik meus eur gemeind oètlegge det ik ech hielemaol niks taege Venlo en al gaar neet taege Venlonaere heb. Maar as ik euver de historie van mien eige dörpke praot dan óntkóm ik d’r neet aan. De geschiedenis van Venlo en Blierick loupe noow einmaol parallel en Blierick haet altièd zwaor geleeje ónder ut feit dat ut taegeneuver Venlo loog. Det is altièd zoeë gewaes en sóms dink ik waal ens det ut noeits veranderd is. ‘Aohao, ik dóch al’, zag det vruike.

Noow weit ik zeker det vuul Venlose dinke ‘wat un genäöl’ en vuul Blierickse zich achter de uurkes kratse en dinke ‘dao zit wat in’. Zoeë zit ge, näöle hingk ouk aaf van wae ut zaet of wae ut óntvingk.

Op 29 augustus vurrig jaor ware ze in Blierick ut alde Lambertuskerkske aan ut bloeët legke. Blierick leep oèt en sómmige sloge un kruutske beej ut aanschouwe van vièf grave oèt de 17de ieuw van ós Blierickse, Hou-Blierickse of Bookender veurelders. Maar wat ouk hiel schrièuwend en haos as heiligschennis opdoemde. Presiès, daen halven hiep. Dae enorm groeëte rónde blok betón dae óneerbiedig as unne zwaore vlook midde op de fundamente van ós ald kerkske drökde. Ik heb nog gevraog of det waal kós en of dao archeologische vreejgave veur gegaeve waas. Ge raojt ut al, d’n andere kant van de Maas zweeg. Nou, wies vurrige waek. Toen kreeg ik wat fuddelkes met ouk nog ens un teikening van daen halven hiep die neet klopde.

Noow weit ik zeker det un paar minse dinke ‘wat un genäöl’ en vuul Blierickse zich achter de uurkes kratse en dinke ‘dao zit wat in, daen halven hiep had d’r noeits meuge staon’. Zoeë zit ge, näöle hingk ouk aaf van wae ut zaet of wae ut óntvingk.

Zoeë zal ouk mien viefde book euver loupe van mien leefde veur mien Blierick. Wat sómmige genäöl zulle vinde, die det neet aansteit. Maar ut zal ouk weer vol staon met gedichjes die dök snachs beej mich opkómme as ik neet kan slaope. Ouk weer euver veurvalle oèt mien jeug of van mien krank zien. Ut is unne speegel van de aafgeloupe dreej jaor met unne lach en un traon.

En ik zal óch neet teleurstelle, ouk wat näöle op mien Bliericks

woensdag 1 april 2026

Con amore

Ik verdwaal waal ens wat op ós sociale media en dan krats ik mich geregeld achter mien alde oère. Zal ik noow weer reageere of mót ik met miene kop schödde, effe slikke en doorgaon. En juus daorom wil ik ut d’r effe kort met óch euver hebbe.

Van de waek loos ik det unne (euveriges good geïntegreerde allochtoon), ut wäördje gecondoleerd woel schrappe oèt ós taalgebroèk. Hae vónd det te kort, te zakelijk en te kald. As of se teikens veur un pakketje aan de deur!? Mien grièze herse-celle begóste zich te ergere, mien ouge dwaalde aaf nao de reaksies en potdomme, de meiste ware ut met um ins. Ik dóch nog, zal ik dan toch maar reageere? Maar ik slikde ut weer in, veur se ut wets hebs se un doeëdsbedreiging in dien inbox. Want ik veul det toch gans anders!
In condoleren beginne we al met ‘con’ zoe-as in ‘con-amore’, wat met leefde beteikent. We deile de leefde same. Aansloètend hebben we ut euver ‘dolore’, wat weer pièn, leid of verdreet beteikent. Dus as ik gecondoleerd zeg, dan veul én deil ik ut verdreet met dae bedreufde mins. Ik besefde mich inens det de meiste minse neet mier de beteikenis veule van vuul wäördjes. Ós veurelders hebbe die wäördjes oeits bedóch en ze hebbe generaties langk euverlaef. Ós taal wuùrt moèjer as se begrieps én veuls was se feitelik zaes. Dao wil ik ut kort met óch euver hebbe.

Zoeë metein stap ik op miene fiets en vuul minse weite neet wao det waord vanaaf kump. Nou det kump van ‘vice’ wie beej vice-veurzitter. Dus ózze fiets is de vervanger van ut loupe. Taegeswäördig hebbe ze ut euver unne E-bike of unne Fat-bike. Maar ik heb ut hièl eigewiès euver miene fiets. D’r sluipe al genóg boètelandse wäörd in ós vocabulaire, wat euveriges ’n frans waord is. En as we zinge van ‘Moder help dae kaerel wilt mich kösse, maar ut geit neet want ut fuulke zit d’r tösse’, dan zit dao ouk un frans waord in. Want fuulke kump van ‘voile’, wat sluier beteikent. En vruuger droge vrouwe döks un hudje met zón gerdienke d’r veur.
Allewiels bars ut ouk van de Duitse wäörd in ós ‘Vokabular’. We hebbe ut gewoeën euver sjlagers en euver einzelgänger. Maar in de vastelaoves-optoch spraeke we weer van faatse, die allein mei-trekke. Alhoewel ózze pap ut ouk döks had euver un faatse kaart, det beteikende det hae nog maar ein kaart euver had van ein saort (schöppe, herte, roète of klavere). En astebleef, al zièn ut lieënwäörd oèt Pruusses, Frankrièk of Ingeland, blièf ze gebroèke.

En det geldt nog ens extra veur die hónderde prachtige wäörd die ós dialek rièk is. Euver originaliteit hove we neet te moppere. As ik un wat ónbeholpe menke zeen met unne wat diekeren bums op ein te rónd en te diek buukske dan neum ik det un poèpediekske. Moèjer kin ik ut neet make. En as d’r un wat ónverzörgde vrouw veurbeej löp in wat flódderige kleier in unne wat ónbehouwe pas? Dan neum ik det un floetsmadam, det kleurt veur mich det ganse plaetje in.

Noow weit ik waal, d’r zièn genóg van die griènièzers die altièd wat hebbe te sikkeneure. En det meug van mich. Maar as minse bepaolde wäördjes oèt ós waordebook wille elimineere (?), dan kóm ik in ut gewaer (!). En as ik emus condoleer dan doon ik det met vuùl empathie en geveul ‘con amore’.

zondag 1 februari 2026

Blierickse straotname de waeg kwièt ?

Ut is haos vastelaovend, dan meugs se schaele wazel verkoupe. Maar laes dit effe door! Ut is ech waor en kós zoeë maar in unnen buut gebroek waere!

Ik waas hiel bliej det ózze Hans Huijs zich op L1 sterk makde veur unne Blierickse waeg. Maar det is neet ut enige wao de waeg in Blierick krangs loupe.
Ut is un gojje gewuuente det doorgaonde waeg unne naam kriège van 'wao-ze-ós-nao-toe-bringe'. Dink dao-beej aan d'n Baoldersewaeg, Breetse waeg, Bookenderwaeg, Sevenumsewaeg en Horsterwaeg. Aan de andere kant van de Maas herkinne we waegwièzers as de Veldesewaeg, Herungerwaeg, Kaldekerkerwaeg, Tegelsewaeg en zelfs de Venlosewaeg.

Maar in Blierick zièn ze kómpleet de waeg kwièt. Zoe is-ter genne Blierickse waeg ‘in-velde-of waeg’ te bekinne! Maar d'r gaon waal hiel vuùl waeg richting Blierick. As we met unne 'helikopter-view' op un kaart kièke, dan loupe gewoeën hiel vuùl waeg nao Blierick! Maar genne Blierickse waeg!! Ut liek haos op un bewuste achterstelling, maar nae toch? Wae zuuj det wille of waorum zuuje ze det doon?

Waal hebbe we heej unne Venraoysewaeg en unne Eindhovensewaeg! Maar is det neet un bietje euverdreve? Ut is neet te gluive maar de Eindhovensewaeg eindig neet in Eindhoven. Nae, dae geit inens euver in de Venlosewaeg! Snap geej ut nog? Wie krangs kin ut zièn!? Met de Venraoysewaeg is ouk wat vraemps aan ut hendje. Dae stop zoeë maar erges, maar neet in Venraoy!?

Maar totaal van de pot gerök zièn waal de Henriëtte-Roland-Holstlaan en de Shakespeare-laan. Ut is eigelik dezelfde doorgaonde (gordel) waeg en ze ligge gewoeën in elkaars verlingde. Ózze navigatie verslik zich idders kièr in det Hen-ri-ëtte-Ro-land-Holst. Laote we dao ens op zien jan-boere-blierickse-fluitjes nao kièke.

We kómme van de brök oèt de stad en rieje euver de Burgemeister Gommansstraot (wat eigelik unne laan is) en eindige oèteindelik beej de rotonde Blariacum. Rechdoor geit allein unne fietsepaad. Rechsaaf kinne we euver de Henriëtte-Roland-Holstlaan richting Groeët Boller. Sterker nog, un stökske wiejer geit de waeg euver in de Groeët Bollerwaeg (wat ouk eigelik unne laan is). Snap geej ut nog? Kómpleet mesjogge!

Slaon we links aaf op die rotonde dan gaon we euver de Shakespeare-laan toch ech richting Hou-Blierick. Neum dae dan gewoeën de Hou-Blierick-laan potdomme. Dan is det veur idderein duudelik. Rechs gaon we nao Groeët Boller en links nao Hou-Blierick . . . . .

Ik schei d'r mei oèt! Maar wae dit allemaol inein gefiespernöld haet? Det mót emus zièn die hielemaol niks met Blierick haet! Ik zuuj zegge: d'n bessem d'r door! En veur ós nieje Blierickse raodsleeje: heej ligk un oètdaging.

En dan ut toppunt, legk mich ens oèt! Waorum leet de Jacq Grubbenlaan in Venlo?????? 

donderdag 29 januari 2026

Moutzhof

Op het kruispunt van de N273 en de Hoverhofweg ligt boerderij Moutzhof. Achter de haag verscholen aan de rotonde Hoverhof op het adres Hoverhofweg 78, Hout-Blerick. Langs de bovenrand van de oude maasmeander Dubbroek liggen een aantal oude boerderijen. Moutzhof is een van de oudste boerderijen van Hout-Blerick. Oorspronkelijk heette deze boerderij, die al in 1329 bestond, Geuterlo of Goeterlo, hetgeen bezit in een bosrijke streek betekent. Om onduidelijke redenen heeft het geen monumentale status.In deze weblog is wat informatie verzameld die iets meer vertelt over deze bijzondere plek. In 1329 reeds was zij bezit van ene Rutgerus. In 1408 werd zij door Vriendzwent van Brede en haar zoon Willem van Kessel verkocht aan hun neef Reinier van Boerlo. Later werd zij o.a. via de families Mouts en Bucken eigendom van Philip Richarts en zij was 32 morgen groot. Vanaf de 17e eeuw werd zij Moutzhof genoemd naar de Venlose eigenaar, de magistraatsfamilie Moutz of Moeits[1].

Hieronder staan een vijftal pagina’s getranscribeerd over de periode 1628-1648. Hieruit blijkt de relatie met het huis Bree (Brede, Maasbree) en het Cuijks recht. Tevens zien we twee generatie Moeits (Moutz): Dederich (±1600-1660) en Gijsbert (±1602-±1664). Ook een van de pachters wordt genoemd: Dries Sanders (geb.1597). In de bijlage wat meer toelichting op de genealogieën Moeits (Moutz) en Sanders. Ook verderop in de bijlage wat Wikipedia weet te vertellen over het huis Bree. Het is verre van compleet maar geeft wat meer zicht op de rijke geschiedenis van Hout-Blerick.

GAV 71 inv.nr.44 Huis Bree Lenen

[p.25] Dederich Meutz - Anno 1628 den 22 January ist voren mir Johan herr des hauss Bree[2] belent den Ehrentachtpar der vornhoeme Dederich Meutz mit dem hoff Gutelray samptt alle dat ingehorige appendentien und dependentien in kerspell Blerigh [Holtblerigh] g(e)legen in beijsein dat Erbare unnd Frome Jan van Hoff Johann Ingenhauss[3] unnd Henrich von Tongerloe als Mannen von Lehen, unnd hatt darauff obst[4] Dederich Meutz gewonlichen Eijdt gethan auch hergeweijtt behaltt, den hem mannen van lehen unnd umbstandt 15 ggl[5] behalsten gewonliche Jura ad 4 ggl, auch bej seinen Eijdt behalten, das Er das Lehen nit verenderen noch verplaitsen soll, dan mit g(e)willinghungh seine Lehen herns, ges(c)hrefen binne Venlo in obst Meutz behaussingh tagh und jhar als oben.

[61] Ich Johan von Praijon Poßeßor des hauß Bree attestiere ende certificere mitt diesen, dat ick op ernstelick anhalten von den Ehrenthofften ende sehr discretten Geistbert Moots burger binnen Venlo hebbe geconsentiert ende toegelaeten, consentire ende laete toe, mets diesen, dat hij uutter sijnen goedt genant Guteroij tot Holdblerlick geleg(en) aenden huiße tot Bree lehnrurigh, sall mogen vercoopen tot synen schonsten ende meisten profijt, twe stucken baulants genant die Hech mijtte ad acht ad negen morgen ungeferlich grott, oock is der vorss Gijßbert Moots hier mede groetroijestt, wat sich mehr befinden wirt von lehngoet vercocht te heeben, als hem in die octroye van 1630 vergunt kopperen sulcks vreij sullen ‘t lehnboeck mogen stellen, ende dat alles

[62] behandelick vnss ende jedermenniglich syn Recht ende gerechtigheitt, op conditie dat der vorss Gijsbert Mootz, gehalten sall syn heel transport vande voorss vercochte parcilen t’doen voor ons, ende mannen van lehn op feret dat het selve van geenen effect en sollen sortieren, offte bundig wessen, welcken transport oock alsoe op huijden dato onderschrieven voor mij ende mannen van lehn ondersch(reven) geschiedt ende gethan is an Driess Sanders[6], und heeben alsoe mitt deesen Driess Sanders aen vorgenoempte parcilen baulants als oock met and(ere) vercochte ses mergen Wijlandts ende Bongart in behoff der andere parthien ein belent ende voor unssen lehnman aengenoemen,

[63] die welcke alsoe dijckwils dit Lehn compt t' vaciren[7], sullen als dan per quota selven betalen tot Kucksen kluppeleen rechten, alles al soo gethan ten overstaen als lehrmannen Driess von Berchem[8] ende Heindrick von Hoff[9] die welcke dit beneffens mij mit eigener handt heeben onderschrieven actum Bree den 21 Martij 1640.
Johann von Praijon, Henrijck van Haeff als mannen van [leen]
Dries van Berchum
Dit selve heeft der Eerentachtbare Lenaert van Arssen[10] Burger en Tollenaer tot Arssen Venlo beschudt ende gerechticheyt betaelt den 28.April 1640.

[p.76] Op huijden den 20. April 1648 heeft voor mij Henrij Bernard edelman der Arthelerije van zijne Co. Mat leen[heere] ten overstaen van mijnne mannen van leen Dries Berchum en(de) Henrick van Haeff naer affsterven van Dirck Moutz, Lenaert van Arssen tollenaer dat leen den hoff Goeterloe genant tot Holtblerick inden kerspel Blerick geleghen mit alle zijnen toebehoor, rechten ende gerechticheyt soo wie hij aldaer geleghen is, gereleveert naer Kuijcksen rechten die iura daer toe staende betaelt den eerst(e) gedaen en(de) gelooft van desselve leen nijet te veralieneren, versetten off vercoopen sonder voorgaende consent en(de) octroye, en(de) sal doen in alles wat eenen getrouwen leenman zijn leenheere schuldich is, voorbehalden mij leenheer en(de) yeder een sijne goeden rechten, geschreven 20 April 1648 in presentie van voirss mannen van leen, welcken hoff oock altijt leenrurich is geweest aen het voirss Adelyck huys Brey naer Kuyckschen rechten actum den 20 April 1648. Bernard.

Bijlage

Genealogie Moeits – Moutz
Zie (1): Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek; zie (2) Genealogie Limburg Wiki Moeitz

I. Henricus Moeitz wijnkoopman, pachtte de tol van Venlo voor 7 jaar in 1541, ovl. voor 1565, trouwde Venlo 15-08-1537 Elisabeth Ingenhuys, dochter van Peter Ingenhuys en Margaretha Boener. Kinderen van Henricus en Elisabeth:

  1. Petrus, jurist, ovl.Venlo 20-02-1620, schepen Venlo 1586-1620, regerend burgemeester 1590, 1596, 1600, 1604, 1607, 1614 en 1617, stadhouder van de Hornse lenen 1588, trouwde Anna Creckelmans, dochter van Georg Creckelmans en Otte van Ruremunde. Kregen drie kinderen: Henricus, Elisabeth, Petrus
  2. Theodorus, volgt II.
  3. Henrica, vermeld 1566-1592, weduwe in 1588, trouwde Venlo 27-05-1566 met Wilhelmus van der Donck.

II. Theodorus Moeitz (Dederick), geb. te Venlo ca. 1540, ovl. Venlo in 1598, zoon van Henricus en Elisabeth Ingenhuys. Hij was rentmeester van Venlo in 1570, peyburgemeester in 1588 en 1594, raadsverwant 1589-98. Hij woonde volgens de schatcedule van 1572 op de Jodenstraat en was in 1588 één der erfgenamen van Anna Ingenhuys, weduwe van Joannes de Verver. Hij trouwde 24-01-1565 Margaretha de Laet, dochter van Lenart de Laet (schepen van Venlo 1568-76) en Beatrix Roffertz en hertrouwde 26-01-1575 Elisabeth van Oeyen, dochter van Joannes van Oeyen. Zij leefde nog als weduwe 06-09-1621, toen zij aan pastoor Goswinus Deckers 300 gulden schonk om een schilderij voor de kerk aan te kopen. Uit het eerste huwelijk een zoon:

  1. Petrus, geb. te Venlo ca. 1575, ovl. Venlo 21 Juni 1626; volgt III; uit het tweede huwelijk nog vier kinderen:
  2. Joannes overleden vóór 1615
  3. Wilhelmus, geb. te Venlo ca. 1578, ovl. te Roermond 24-12-1631, hij was regerend burgemeester van Roermond 1622 en 1631. Hij was gehuwd met Maria van Meijsenborgh, uit welk huwelijk de volgende kinderen: Elisabeth, Theodorus, Godefridus Wilhelmus, Wilhelmus.
  4. Grietgen, overleden voor 09-10-1630, trouwde Petrus Cuijpers, overleden voor 06-10-1626, zoon van Peter Cuijpers en Theodora (Diricksken) Wijnen.
  5. Anna, geb. ca. 1681, ovl. na 10-10-1615, was getrouwd met Wilhelmus Duycker.

III. Petrus Moeitz, geb. te Venlo ca. 1575, ovl. Venlo 21-06-1626. Op 09-07-1591 deed Mr. Johan Bartholdtz van Buerscheit te zijnen behoeve afstand op alle gerechtigheid als deze mocht hebben op het leengoed die Frieborgh of Vrijborg, gelegen op de Jodenstraat te Venlo. Op 21-06-1607 ontvingen hij en zijn echtgenote Aeltgen (of Aleidis) Hagens van Peter van Weset en Catrijn de Groet, zijn huisvrouw, en consorten den halven bouwhof Guetelroe (ook Moudtshof genaamd), gelegen te Blerick, leenroerig van het adellijk huis Bree (Maasbree), waarvan zij de andere helft reeds bezaten; op 15-12-1615 sloot hij een verdrag met den abt en het klooster van Aldencamp, wegens genoemden hof, waarbij de twee oude schilden en lijfsgewin-gerechtigheid, die dat klooster beweerde te hebben, wegens gemelde hoeve, werden afgekocht met 150 gulden Brabants. Hij deed 20-12-1618 den eed als raadsverwant en 19-12-1620 als schepen van Venlo, was regerend burgemeester in 1623 en wordt in 1625 vermeld als provisor der huisarmen. Zijn echtgenote Aeltgen Hagens schonk hem de volgende kinderen:

  1. Theodorus (Dirk, Dederik), geb. te Venlo ca.1600, aldaar ovl. ca.1660, erfde van zijn ouders den halven hof Bosch te Leuth (D) bij Venlo, welke hij wegens schulden 13-01-1630 met zijn echtgenote verhypotiseerde. Zijn financiële toestand werd na verloop van jaren niet beter. Zijn vrouw was gestorven, zijn enig zoontje Petrus onder voogdij gesteld van zijn oom Gisbert Moeitz en de door de stad aangestelde voogden Hendrik Ingenhuys en Willem van Darth en uitbesteed bij zijn tante Margaretha Moeitz, echtgenote van den tollenaar Leonard van Aerssen, terwijl hij zelf in den kost was gegaan bij Willem de Groot voor 160 gulden per jaar. Genoemde halve hof werd 22-01-1644 in het klooster Maria-Weide aan Margaretha Craenen, weduwe van Johan Boermans de Oude, en haar zonen Johan en Egidius Boermans verkocht voor de som van 3400 gulden en 25 rijksdaalders. Ook het huis genaamd de Vrijborch, leenroerig van den koning van Spanje als hertog van Gelder, gelegen op den hoek van de Jodenstraat en de Houtstraat te Venlo moest hij 16-09-1644, uit kracht van brieven van octrooi van het hof van Gelder d.d. 12-12-1637 en nadere ordonnantie van hetzelfde hof dd. 21-05-1644, gerechtelijk verkopen, het kwam 16-09-1644 aan Dirk's zwager Leonard van Aerssen. Uit zijn huwelijk met Anna Boenen, dat 19-02-1623 was gesloten, werd een zoon geboren, Petrus (ged. 07-06-1630).
  2. Gisbertus, graanhandelaar; geb. ca. 1602, ovl. vóór 06-03-1664; trouwde 16-01-1628 Agnes van Bueren, dochter van Cornelis van Bueren en Maria Sweijns. Kinderen van Gisbertus en Agnes:
    • Aleidis (Aldegonde), gedoopt Venlo 08-04-1629, begraven Venlo 19-09-1689, trouwde (1). Venlo 29-01-1658 met Christophorus Hacken; trouwde (2). Bartholomeus Douven, gedoopt Maaseik 17-02-1632, rentmeester Venlo 1673, raadsverwant vanaf 1673, peyburgemeester Venlo 1675 en 1676, zoon van Melchior Douven en Anna Laureijnen.
    • Maria, gedoopt Venlo 15-08-1631, begraven Venlo 05-11-1707.
    • Petrus, gedoopt Venlo 17-04-1635, overleden Venlo 20-11-1685, munitiemeester Venlo, schepen Venlo vanaf 1675, regerend burgemeester Venlo 1678 en 1683, trouwde Gertrudis Catharina de Groot, gedoopt Venlo 01-06-1644, begraven Venlo 06-12-1707, dochter van Joannes de Groot en Elisabeth Woestingh.
    • Cornelia, gedoopt Venlo 16-06-1643, begraven Venlo 16-01-1709.
    • Elisabeth, gedoopt Venlo 01-12-1647, begraven Venlo 09-11-1712, trouwde Venlo 09-09-1683 met Arnoldus Bloemaerts, geboren Grave, overleden Venlo 13-01-1733, schepen Venlo 1688-1713, burgemeester Venlo 1692, 1697, 1699, 1705, 1706 en 1712, geheimraad van de keurvorst van de Paltz, zoon van de burgemeester van Grave, Franciscus Bloemaerts en Maria Leijten.
  3. Margaretha, geb. ca.1604, trouwde 12-11-1628 Gerardus Honnen en daarna 03-10-1633 Leonardus van Aerssen, stadstollenaar 1620-64;
  4. Leonardus (Linnert), geb. ca.1606, ovl. Venlo 15-07-1659, schepen Venlo 1651-1659, rentmeester Venlo 1651-1653, regerend burgemeester Venlo 1659, trouwde Venlo 06-03-1629 met Aleidis van Bueren, dochter van Cornelius van Bueren en Maria Sweijns.

 

Andreas Sanders, geb.08-06-1597, getr. 10-07-1633 met Anna van Geuterloo (alias ingen Riet, Mouts), hun kinderen:

  1. Andreas, geb.00-02-1634 , getr.Maria Beurskens (Kessel)
  2. Catharina, geb.07-02-1636, getr. Petrus Michels (Horst) 
  3. Margareta, geb.12-03-1645, getr.Laurentius in gen Ael
  4. Joannes, geb.13-10-1647, getr. Petronella Smits (Horst)
  5. Maria, getr. (1) Godefridus Mans, getr. (2) Petr.Geurts
  6. Jacoba, geb.04-01-1654

 

Huis Bree

Huis Bree was een kasteel uit de 14e eeuw of eerder in de buurtschap 't Rooth bij Maasbree in de gemeente Peel en Maas. Het kasteel stond ook bekend als Huis Aarsen omdat de eigenaren in Arcen woonden. Op deze locatie bevindt zich tegenwoordig de boerderij de Plaats.
Het huis wordt in de leenregisters van de hertog van Gelre voor het eerst vermeld in 1431 met als eigenaar Brant die Rover (die tevens schepen in 's-Hertogenbosch was) en was daarvoor een leengoed van Cuijk. Dit kwam doordat de heer van Cuijk op 15 december 1400 al zijn bezittingen aan de hertog had afgestaan. De heerlijke rechten kwamen altijd toe aan de hertog. De kasteeleigenaar van dit riddermatig goed had wel recht op een adellijke plaats in de Staten van het Overkwartier.


Via Johanna die Rover die trouwde met Hendrik van der Donck, kwam het aan hun dochter, die trouwde met Herman van Winckelhuysen. Hun dochter Anna kreeg uiteindelijk via een proces dit bezit in 1571. Haar dochter Clara  Margaretha van Pallandt liet bij testament het huis na aan Johan Prayon die in 1642 ermee beleend werd. Na erfenisruzies werd Reynier van Gelre in 1650 ermee beleend naar Cuijks recht en voegde het toe aan zijn bezittingen te Arcen. Hij kocht ook de heerlijkheid Maasbree van de koning van Spanje erbij in 1673. De eigendom loopt dan hiermee gelijk op. De familie Van Dalwigk zu Lichtenfels verkocht de boerderij aan de burgemeester van Maasbree, Gerard Peeters, in 1871.

[Op een tekening van Jan de Beijer uit 1738 staat de ruïne afgebeeld als een rechthoekig en eenlaags kasteel met op een hoek, rechts van de ingang, een ronde toren]

 


[1] Genealogie Moeits – Moutz zie bijlage

[2] Zie bijlage Huis Bree (Wikipedia)

[3] Joannes Ingenhuys

[4] obenstaende

[5] goltgulden

[6] Gezinsklapper nr. 1531: Andreas Sanders, getr. Anna van Geuterloo (alias ingen Riet, Mouts), zie bijlage voor het hele gezin

[7] Vacant komen

[8] Gezinsklapper nr. 95: Andreas van Berchum, getr. Cunegundis Hilkens (Scheperjans)

[9] Hendrik van Haeff, zie gezinsklapper nr. 687

[10] Leonardus van Aerssen, stadstollenaar 1620-64, getr. 03-10-1633 met Margaretha Moeits, geb. ca.1604