donderdag 25 november 2021

In memoriam Arie Verbaan (1926-2021)

Die 15 kilometer aflegt in 47 minuten is een hele grote

Een monument uit de regionale atletiek is niet meer. Woensdag 24 november 2021 is Arie Verbaan op 95-jarige leeftijd overleden. De oudere mensen uit Blerick kennen hem als de markante visboer op zijn gele houten klompen in het straatbeeld. Binnen de atletiek is Arie Verbaan vooral bekend als die geweldige hardloper die vanaf 1950 decennia lang die gevreesde topatleet was. In ontelbare (inter)nationale crossen en wegwedstrijden was Arie de te kloppen man. Arie was 73 jaar trouw lid van zijn atletiekvereniging Scopias, voorheen Festina. Persoonlijk ken ik Arie vanaf 1957, toen ik als tienjarig manneke lid werd bij Festina en enorm tegen hem opkeek.

Arie Verbaan heeft regionale sportgeschiedenis geschreven. Als ik op zoek ga naar de sporen die hij achter heeft gelaten, liggen die voor het oprapen in de Historiek van de Limburgse atletiek[1], de Nederlandse Allerbestenlijsten en in m'n eigen archief. In dat laatste vond ik een zorgvuldig bewaarde pagina 11 van het Dagblad voor Noord-Limburg van donderdag 21 juni 1979 die geheel gewijd was aan Arie. Ter gelegenheid van zijn 30-jarig jubileum als wedstrijdatleet werd op sportpark Herungerberg een internationale veteranenwedstrijd georganiseerd. Tegenwoordig heet dat met een chique woord masters. Graag deel ik met jullie enkele anekdotes uit dat artikel. Met wat verbindende tekst waarmee ik de warme sympathie uitdruk voor Arie Verbaan.

Arie, geboren en getogen in Scheveningen, kwam als jochie van tien met z'n ouders naar Blerick. Z'n vader reisde daarvoor al vijftien jaar wekelijks naar Venlo om zijn vis te verkopen. Meteen na de lagere school stapte ook Arie in de viszaak van zijn vader, de branche die hij altijd trouw is gebleven. Wie kent hem niet van de weekmarkten in Venlo en Blerick? Ik wel, en weet nog dat hij naast zijn viskar bij ons de straat inkwam. En dan galmde het een paar keer tussen de huizen: ’Haring, verse haring, haring als scholluhhhh . . . . ‘, waarna de huisvrouwen zich naar de haringkar spoedden.

Arie zegt over die tijd: ‘Loopbenen heb ik gekregen naast de bakfiets! Met mijn grote passen noemden de mensen aan wie ik vis verkocht mij al de hardloper. Als ik mijn vis had verkocht, kon ik pas naar huis fietsen, voor die tijd, nou ja, rende ik naast m'n karretje. Dat was het begin . . .‘.
‘Je moest hard werken en tijd voor sport was er nauwelijks. Aanvankelijk bokste ik bij de VBC (Venlose Boks Club), dat was in de oorlog. In 1944 organiseerde de club een veldloop waaraan ook twee atleten van AV Blerick deelnamen. Ik werd derde achter die twee atleten (Gerrit Hermans en Mandje Titulaer) en dat was een behoorlijke opsteker om met lopen door te gaan. In 1949, toen ik uit militaire dienst kwam, begon mijn loopavontuur met een wilde wedstrijd van DOS Tegelen. Ik won die wedstrijd en aansluitend zat ik meteen bij AV Blerick’.
‘Tot en met 1958 heb ik alle wedstrijden, die ik liep netjes bijgehouden in een boekhoudschriftje, daarna vond ik het welletjes. Ik geloof toch minimaal duizend wedstrijden te hebben gelopen’
.

Arie Verbaan bracht het al snel tot de nationale ploeg, zowel op de baan als met de cross. Zijn eerste interland was de Cross des Nations in Parijs in 1953: ‘Toen begonnen mijn beste jaren, want ik zat dus in de Nederlandse ploeg en ik behaalde in de jaren meteen daarna mijn beste prestaties’.

In de eerdergenoemde Historiek van de Limburgse atletiek wordt dat allemaal bevestigd. Arie grossierde in aansprekende overwinningen op de baan, weg en de cross. Daarbij sleept hij als kopman van Festina zijn clubgenoten mee naar een hoger niveau (o.a. Hay Philipsen, Hay Verhagen, Antoon Jonkers en Wienand Wienen), en regelmatig winnen ze de prijs voor het beste team.
Arie vervolgt: ‘Och, toen wij jaren geleden bij de Pope trainden was het met mij ook vrijwel elke zondag raak: we maakten een wedstrijd van elke training, al wist je dat het niet zo goed was, maar het was leuk. Ik had toen nauwelijks benul van het opbouwen van een trainingsprogramma en met een optimale training was ik waarschijnlijk wel wat verder gekomen dan gebeurd is. Toch ben ik tevreden, want ik loop nu nog mijn wedstrijden met plezier’, Dat was in 1979. En hij doet nogal bescheiden over zijn niveau, niet vermoedend dat hij met z'n 47 minuten en 4 secondes op de 15 kilometer nu nog héél hoog zou staan op de nationale ranglijst!!

De reden waarom Arie aan sport deed had ook te maken met zijn gezondheid, hij was astmapatiënt. Zijn lichamelijke conditie verbeterde door het boksen (door de bokshouding en de ademtechniek). ‘En het lopen van lange afstanden geeft een prima doorbloeding en je leert langzamer ademen! Tweemaal ben ik korte tijd gestopt met lopen, maar de astma-aanvallen kwamen dan binnen korte tijd terug’.

Het zal in 1975 zijn geweest, Arie wilde meedoen met een nachtmarathon door Antwerpen. Hij vroeg mij om met hem mee te gaan als chauffeur en begeleider. Ik zal het nooit vergeten. Na de vrijdagmarkt kwam ik hem thuis ophalen en we reden samen naar Antwerpen. Het was natuurlijk de meest slechte voorbereiding op een marathon die je maar kunt voorstellen, aansluitend op de drukste dag van de week. Hoe ik Arie ook aanmoedigde en te drinken gaf, het werd helemaal niks met die marathon, maar opgeven stond niet bij Arie in de agenda.
Het gebeurde toen we ’s nachts naar huis reden. Op de autobaan voelde ik plotseling het hoofd van Arie op mijn schouder. Ik probeerde hem wakker te schudden maar hij was compleet van de wereld. Ik zette de auto in de berm en sleepte hem uit de auto. Ik ging achter hem staan, trok zijn knieën omhoog en drukte zijn hoofd tussen zijn knieën. Dat hadden ze me zo geleerd, dan zou het bloed weer naar zijn hoofd stromen. Maar als niet onverdienstelijke tienkamper duwde ik blijkbaar wat hard want Arie kukelde als een volle meelzak van het hoge talud af. Net voor de sloot bleef hij liggen en kwam gelukkig weer bij zijn positieven. Toen ik de volgende morgen informeerde hoe het met hem was, stond hij alweer een paar uur op de markt in Venlo.

Ook na zijn veertigste bleef Arie Verbaan onverminderd actief in de wedstrijdatletiek, en bezocht hij meerdere wereldkampioenschappen voor masters. In Toronto, Brugge, Coventry en Göteborg behaalde hij steeds klasseringen bij de beste tien op zijn favoriete afstanden. Zijn grootste teleurstelling beleefde hij op een van die kampioenschappen voor masters in 1978 in Viareggio (Italië). ‘Op de 10 kilometer lag ik op de tweede plaats. De Amerikaanse koploper Franklin dubbelde mij in de zesde kilometer. Op zijn laatste 100 meter liep ik vlak voor hem en dacht dat ik dus m'n laatste ronde inging. Maar het waren er twee! Ik stopte met andere woorden na de 24ste ronde en veronderstelde de zilveren plak gewonnen te hebben. Ho maar! En omdat ik dacht te moeten finishen, beëindigden nog negen andere lopers na mij de wedstrijd in de veronderstelling 25 rondes gelopen te hebben. Natuurlijk werden we met z'n tienen gediskwalificeerd en kreeg de twaalfde binnenkomende de zilveren medaille. Daar sta je dan als Hollandse visboer . . . . hahaha.’ Maar Arie memoreert lachend meteen het andere uiterste van die minder plezierige gebeurtenis: ‘Mijn mooiste ervaring was ook Viareggio: namelijk het moment dat ik dacht dat ik tweede was!’.

Bij de competitiewedstrijden konden we tot op hoge leeftijd altijd rekenen op Arie. Ook als die betere loper niet wilde opdraven omdat die competitiewedstrijd niet paste in zijn trainingsschema!? Ik weet nog dat ik Arie in zijn nadagen zag deelnemen aan de Oudejaarsloop in de Boekend. In die typische onverstoorbare bonkige loopstijl van Arie, schouders een beetje opgetrokken. Nee, Arie was zeker geen echte stylist! Het zware neerkomen van zijn overmaatse sportschoenen flop . . . flop . . . flop . . . verraden dat de jaren beginnen te tellen. Heel trots zeg ik tegen degene die naast me staan: ‘dat is Arie Verbaan!’. In de volgende ronde komt Arie in snelwandelpas voorbij, het laatste alternatief voor de atleet die niet van opgeven weet om op tijd binnen te komen. Met diep respect wacht ik bij de finish tot Arie binnenkomt! De meeste toeschouwers zitten al in de kroeg, de baancommissarissen zijn de boel al op aan het ruimen. ‘Wie zou er nog weten dat dit een héél groot atleet was?’, dacht ik toen bij mezelf.

Zaterdag 5 juli 2014 was een bijzondere dag, Jan Bouten en ik hadden een reünie van oud-Festina-atleten in de kantine van Scopias georganiseerd. Arie was destijds zijn tweede liefde gevolgd en woonde op een appartement in Mechelen bij Antwerpen. We hadden er niet op gerekend dat Arie ook zou komen, hij was tenslotte al 88 jaar! Maar het had ‘m moeite gekost maar daar kwam die aan! Helemaal alleen in zijn autootje reed hij vier uur op en neer om zijn eertijdse sportvrienden te zien. Natuurlijk was de goedlachse en flauwe grappen vertellende Arie het stralende middelpunt. Twee jaar later zochten mijn vrouw en ik hem op in Mechelen. Samen met zijn grote sportvriend Frits Vaessen vierden we daar zijn 90ste verjaardag. Wij hadden rijstevlaai van ut Bruuedje meegenomen en zijn vrouw vertelde van die keer toen die politiewagen hem weer thuis had gebracht, Want Arie had besloten na het doen van een boodschap voor zijn vrouw een forse omweg te nemen. Ze waren zo bezorgd dat ze de politie hadden ingeschakeld. En Arie vertelde heel nuchter: ‘Daar stopt die politiewagen naast me en vraagt: bent u meneer Verbaan?’. Waarop Arie op zijn manier verschrikt reageert: ‘Ja, maar waar kent u mij van?’.

Toen ik afgelopen april hoorde dat Arie verhuisd was naar de Beerendonck in Venlo, hebben we hem meteen opgezocht. Hij straalde over zijn hele gezicht en was dolblij dat hij terug was in zijn eigen vertrouwde omgeving waar hij thuishoorde. Trots vertelde hij dat hij iedere morgen en iedere middag een rondje van anderhalf uur maakte achter zijn rollator. Ongelooflijk wat een discipline en wat een doorzettingsvermogen. Een atleet ben je niet zo maar even, maar voor heel je leven. En Arie was het bewijs.

Toen zijn sportvriend Frits Vaessen in juli was overleden hebben we zijn bidprentje gebracht. Dat was een van de weinige momenten dat we Arie sprakeloos zagen. Toen zagen we al dat hij langzaam achteruit ging, de laatste keer dat we hem spraken kwam hij moeilijk uit zijn woorden. Dat maakte hem zichtbaar nerveus.

Gisteravond kregen we van zijn zoon Ruud te horen dat zijn vader was overleden. Meteen zochten we contact met zijn dochter Gerry. We zaten sprakeloos en aangeslagen op de bank ver weg in Spanje. Die onzichtbare onsportieve tegenstander bracht Arie zijn laatste nederlaag toe. Maar het monument Arie Verbaan blijft voor mij fier overeind staan. Een groot atleet, een groot sportman, een trouw lid van zijn vereniging. Hij maakte van elke training een wedstrijd, hij maakte van zijn leven een wedstrijd. En die 47 minuten op de 15 kilometer bewijzen dat niets hiervan is overdreven!



[1] Jo Jeurissen - 1997

dinsdag 9 november 2021

Thoès

Ik kóm van de A73 aaf, nog efkes en ik bin d’r haos
Noow nog euver un paar van die rot rotondes gekraos
‘Henriëtte-Roland-Holstlaan’, de navigatie kump hièl vraemp binne
‘Henriëtte-Roland-Holstlaan’, wie hebbe ze ut oeits kinne verzinne
 
‘Shakespearelaan, nao 200 maeter kièr-um’ klink al un stök baeter
Maar ja, ik bin d’r haos, ouk det klop alweer van genne maeter
Ut kin wat flotter want wie mich lets emus nao ós woeënlokatie vroog
Knikde dae begrièpend wie ik zag: ‘Dao wao ens de Knoepert loog’.
 
Alderwetse name halde ós Blièrick un stök logischer beejein
Sóms loupe tösse al die vraemde schrièvers de regels oèterein
En tösse al die vraemde buim zeen ik de gojje waeg neet mièr
Blièkbaar interesseerde det de bedinkers van dae kwats gen zièr
 
Ut Dellesträötje stelt niks veur, maar wie klein ut ouk is
Ouk det wuùrt door genne zeukende Blièrickse gemis
Meschiens beej de Sint Hubertusstraot mótte we effe dinke
Want det is as Schoeëlsträötje bekinder in de oère bliève klinke
 
Ouk ut straotbeeld is door de modernen tièd opgeslörp
Leep ik vruùger euver de Laan ónder de buim richting dörp
En meus ik op de mert die destièds moèje Kloeësterstraot in slaon
Tösse Koopal en ut pliessieburo woort mich de veurdeur aope gedaon
 
Ut waas as of we de hoèskamer van ós Blièrick binne kwame
Met allemaol bekinde name met sierlikke letters op de rame
Mien vootstappe woorte inens door ut kloppe van mien hert begeleid
Un slordig kassa-bunke van Bol-de-Swart kwaam veurbeej geweid
 
Ik leep door en woord haos met mien ouge toe nao hoès gedrage
Van rechs rook ik Verbaan ziene vis in vluchtige windvlage
Die lekkere bekkerslóch van Mercus kwaam van d’n andere kant
Toen veulde ik, heej pakde Blièrick mich beej de hand
 
Det is allemaol neet mièr en zeker gen frustratie
Maar met herkinbare straotname in ós navigatie
Van wie ut vruùger hoot en wie d’r woort gesmoès
Kwaam ik toch met un wermer geveul weer thoès



maandag 25 oktober 2021

Silf en Greet un hech stel

We zitte saoves aan d’n heite thieë te nippe, ut journaal is net aafgeloupe. ‘Kièk dao gaon ze weer same e-weg’, zaet Marijke. Ik kièk vanaaf de bank schuuens nao boète en zeen ut hièrke net de paort toe make. Zeej wach efkes wies hae naeve eur is. Ze pakke mekaar stevig ónder d’n erm en vertrekke veur eur dageliks rundje. Hae met kleine dribbelpeskes en zeej spaajt d’r naeven-aaf. ‘Silf en Greet, geweldig stel’, zaet Marijke en ik bin ut dao gans met ins.

Ze woeëne beej ós taegen-euver. Silf is negen-en-tachetig en Greet is twieë jaor jónger. Silf is unne gepensioneerde militair en det kins se nog altièd zeen. We neume um ut hièrke want hae löp kersrech maar waal neet mièr zoeë flot. Altièd keurig in ut pak met gestreke euverhaemp met slieps. Fysiek geit ut ech neet mièr, hae is haos op, ald en verslete. Maar in ut köpsje is hae nog vlièmscherp. Hae luues de krant en volg ut ganse waereldniejs. De kins euveral met um euver praote, hae vormp altièd zien eige meining en respecteert ouk idders andere meining. Unne gojje mins, we hebbe same unne klik. Greet is un bietje de waeg kwièt, maar is fysiek zoeë sterk wie un meulepaerd. Met ziene altièd te lange rok met dao-ónder van die broène stevige schoon met blokhakke zuùt ut d’r ouk zoeë oèt. Ze duit alle baodschappe met de fiets en spaajt met eure alderwetse bleumkes-scholk door ut hoèshalde. We make aaf en toe un präötje en zièn ech ónder d’n indrök. Wat un geweldig hech stel, wat hae neet kin det duit Greet. En wat zeej neet mièr wet, det duit Silf. We hebbe op un veurzichtige meneer ós hölp aangebaoje. Ge mót d’r óch neet te vuùl van veurstelle maar Greet haet wat haldvas aan Marijke en ik lieën mien lómpe knäök aaf en toe aan Silf.
Lets woorte we gevraog veur un tas kóffie. Heerlik um in die woeënkamer anno jaore fieftig te zitte. Greet duit net as Marijke vuùl handwerke en Silf is kepot van opera en operette. Hae nimp ós met nao zien archiefkaste met hónderde video-bend, alles keurig gerangschik. Alfabetisch op componis en chronologisch op jaortal. In ein van de laejkes leet un schrif met un systeem zoe-det hae alles presiès kin truukvinde. We mótte mei nao ein van de slaopkamers! Hièlemaol vol met zelf-gemakde archiefkaste die weer volgestouwd zièn met doèzende vakantie-dia’s. Ouk weer gesorteerd nao land en jaortal en allemaol logisch truuk te vinde in un paar schrifkes. Marijke moch unnen opera oètzeuke. Ut koos veur Aïda en effe later zote we te kièke en te luustere nao unne aria van Maria Callas.
Idder jaor gaon ze nog met de caravan op vakantie. D’n alde Chevrolet steit erges in Blièrick in un garagebox. Silf haet mich gevraog um dae same op te haole en um in Tienraoj de caravan aan te häöke. Det doon ik gaer en same loupe we nao de garagebox. Met det slaagscheep vare we nao Tienraoj, de caravan steit al boète. Ut is unnen hièlen alde groeëte Tabbert. Idderein beej ós in de straot vind ut good det auto en sleurhut dreej parkièrplaatse beslaon. De kómmende daag zien Silf en Greet drök bezig. Greet guuef de Chevy en d’n Tabbert un duchtige wasbeurt, ut trepke kump d’r aan te pas:
‘Zal ik dich helpe met ut daak aafsoppe?’, vraog ik aan Greet.
‘Wat dinks se dich waal neet, dao bin ik mans genóg veur’, krièg ik half veróntwaardig te huùre.
Silf dribbelt op en neer tösse de veurdeur en d’n Tabbert. Ik probeer ut nog eine kièr:
‘As ik kin helpe dan mót ge det zegke’.
‘Fijn aangebaoje, maar ik werk röstig mien lieske aaf, ut lök waal’
.
Zaoterdigmorge is ut zoe-wièd. Greet spaajt met ut letste aetes-gerei nao de caravan. De inhald van de koelkas verhoès van ut hoès nao de caravan. Greet flaneert wapperend in un luchtig maar te lank zomerkledje. Silf druueg un keekie kórte bóks met van die witte spillebeinkes d’r ónder-oèt. En dao euver-haer un los leechblauw euverhaempje met korte muiwkes. In ein waord: ‘Magistraal’. Greet kump met de thermoskan nao boète en trek de deur achter zich dich:
‘Det is de kóffie veur ónderwaeges’, zaet ut taege Marijke en mich. Want weej staon klaor um ze oèt te zweie:
‘Weit ge wie ge mót rieje’, vraog ik aan Silf. Stómme vraog natuurlik:
‘Ut is neet zoe-wièd Jan, we gaon nao Slieënake. De route steit op un pepeerke en we hebbe al un moèj plaetske op de camping gereserveerd’, zaet Silf. De autodeure slaon toe met det einmalig geluùd det pas beej unne Chevrolet. Marijke en ik pakke ós beej de hand. Langzaam rieje ze van de parkièrplaats, gegarandeerd ut gelök tegemoet. We zweie ze oèt met ós vreeje hand. Ik veul Marijke knièpe in mien hand. Ik weit wat we same dinke:

‘Wat un geweldig hech stel’.

Silf is krank

We zitte saoves te aete. Ik heb net un poetje in de wortelestamp gemak um die lekkere vette saus in te laote loupe. De gehakbèlkes kièke mich al begerig aan. Dao geit de bel van de veurdeur: 
‘Wae zal det zièn um dezen tièd’, zaet Marijke en löp nao de gank. Effe later spaajt euverbuurvrouw Greet veur Marijke oèt de kamer in, ze bäök en helt unne zakdook ónder de neus.
‘Zet óch effe’, zegk ik, maar ze zit al op Marijke ziene stool.
‘Silf is hièl erg krank, hae haet neet lang mièr te laeve’. Marijke duit vuùl zeggend d’n deksel op ózzen dampende wortelestamp en ut is effe muuskesstil in de kamer. Ik leg veurzichtig un hand op eure schouwer en Marijke vruueg:
‘Is-e waal thoès’.
‘Jao en hae duit net as of d’r niks aan de hand is’. We laote eur röstig oètpraote en we spraeke aaf det we morge-vruùg un tas kóffie kómme drinke. En Marijke zaet:
‘En as ge hölp nuuedig heb of gewoèn maar un präötje wilt make, dan klop maar op de raam. Anders schrikke we zoeë van die rot bel’. Greet geit en luuet ós verslage achter aan de taofel, we zitte zwiègend ózze wortelestamp nao binne te werke. De gehakbölkes lièke noow waal lang tand te hebbe.

De volgende morge belle we hièl officieel aan, we liekene op ut ièrste oug waal op twieë van Jehova. Silf duit met un lachende smoel de deur aop en zweit met un breid gebaar:
‘Kóm d’r in, Greet haet de kóffie al broèn!’. Zwiègend zette we ós aan de keuketaofel en Greet knoeit met ut inschödde van de kóffie.
‘Wie geit ut met óch?’, zegk ik taege Silf um ut gesprek te beginne.
‘Nou, neet zoeë good, ut is oètgezeid en d’r is niks mièr aan te doon. Ze gaeve mich huuegstes nog un paar maond’, Greet steit op en zuk de kukskestrómmel met de zakdook in d’n aanslaag.
‘Ik zal maar neet vraoge wie det beej óch is aangekómme’, zegk ik hièl stóm. De meugs ut eigelik neet vraoge, maar wils ut toch weite. En dan stels se toch zón óntzettend stómme vraog.
‘Op miene laeftièd wets se det ut d’r aan kump. We mótte noow aan Greet dinke en ik zal zörge det alles netjes geregeld wuùrd. We hebbe same un moèj laeve gehad en dao halde we ós aan vas’.
‘Weite óch twieë dochters ut al?’, vruueg Marijke.
‘Nou, die vermoede waal iets, maar ze kómme vanaovend. Geej ziet de ièrste die ut huùre’, zaet Silf. En we zitte nog un half eurke te kletse en we beeje ós hölp aan as det nuuedig mót zien.

Silf geit hard achteroèt en de aovend-wandelinge zièn neet mièr meugelik. Vruueg in d’n aovend tik Greet keihard met ziene rink op de veurroèt. Marijke sprink unne maeter umhoeëg oèt de stool:
‘Had ik maar niks gezag, heej schrik ik nog mièr van as van die bel’.
‘Silf vruueg of Jan effe wilt kómme’, huùr ik Greet in de gank zegke.
‘Dan kómp geej maar binne, dan drinke weej same un tas thieë’, zaet Marijke.
En ik staek euver nao ut hoès van ós euver-bure. Silf steit mich al op te wachte en nimp mich mei nao de zölder. Ik kièk mich de ouge oèt. Silf haet ziene zölder ingerich as un kantoèr annex werkplaats. Ringsleutels, staeksleutels, schroèvedreiers, beitels en nieptange. Allemaol keurig gerangschik op van die schaduwborde. Un werkbank met stevige bankschroèf en un vas baormesjièn. Un burootje met un lempke d’r baove. Un plank dao weer baove met allemaol ordners. Hae velt metein met de deur in hoès:
‘Zeuk maar oèt was se wils hebbe, dan weit ik det ut good terech kump’.
‘Nae Silf, zoeë werk det neet, dao wil ik niks van weite, det is van dien dochters’. Hae probeert mich nog van alles aan te smaere maar ik wil det absoluut neet hebbe. We gaon weer de trap aaf en ik zeen det ut erg slech geit met Silf. Hae geit zich op unne aetkamerstool zitte en steunt met zien ellebäög op zien kneen. Ut deurt un paar minute:
‘Ik woel dich waal nog wat vraoge. Zaoterdaàg wil ik de caravan nao Baek wegbringe en dao nao d’n auto inlevere beej de graasj heej in Blièrick. Wils dich met mich met rieje?’.
‘Zeker doon ik det, dan neme we Greet en Marijke ouk mei. Kièke we det we ónderwaeges erges un tas kóffie drinke’.
‘Det doon we’, zaet Silf, ‘ik heb de aafspraoke al staon en ik weit ouk wat ik d’r veur truuk krièg!’. Det had ik waal gedóch, óngeluiflik wie hae det allemaol regelt.

En dae zaoterdig levere we euren alde Tabbert en ziene alde Chevrolet in. We make d’r met zien veere toch unne gezelligen daag van. Allein merk ik det ut Marijke en mich mièr duit as die twieë oudjes. Hae wilt mich hónderd euro in de hand douwe maar weej waere tegelièkertièd aaf:
‘Nae, niks dao van, det doon we veur óch en dao wille we absoluut niks veur hebbe’.
Ut enige wat Marijke en ik taegen-ein zegke as we weer thoès zièn:
‘Erg hè . . . . ‘.

Maar good det Silf det neet metmak

Vanmorge hoorte we det Silf röstig waas ingeslaope. Nog gen twieë waeke truuk hebbe we d’n Tabbert en de Chevy weggebrach. De vurrige waek kwame ze Silf ophale met de ziekewage, hae keek nog ózze kant op en zweide veur de letste kièr. Ik kós mien traone neet verdouwe.
‘Hae haet zien taak volbrach’, zagte we taegenein. En intösse bleek ut mièr te zièn dan det. Hae wis det Greet neet allein in ut hoès kós bliève, zoeë gauw as d’r plaats is zuuj ze nao ut verzörgingshoès gaon.

De crematie waas gewaes, ut waas un ingetaoge en stil aafschièd. Greet kreeg ut allemaol neet mièr met. Greet zien kórte geheuge, zien aafstandsbedeening en ziene haldvas ware weg gevalle. Ut klink hard, maar ut waas cómpleet de klöts kwièt en leep as un kiep zónder kop rónd. Gister waas ut ouk nog jäörig en same met un vriendin genote we in ut keukske van un stök aarbeievlaai met slaagroum:
‘Ik preuf prei’, zaet Marijke en die vriendin zaet ‘potdomme, ik ouk . . . ’, en ze löp metein nao de koelkas. Dao steit de vers aangesneje aarbeievlaai van ut Bruuedje, maar wat dröppelt dao hièl traog baoven-op? Twieë spere prei van meschiens waal twieë maond ald zakke in verregaonde staot van óntbinding door ut ruùsterke. De twieë vrouwe make de koelkas laeg en haos alles verdwiènt in d’n dreksbak. Ik huùr die vriendin taege Marijke zegke: ‘Zoeë kin ut ech neet langer’. En as of d’n duùvel d’r met speult, daen aovend woord d’r hièl hard op de veurroèt getik. Ut is Greet. Euvermorge geit ut verhoèze nao ut verzörgingshoès:
‘Det haet miene Silf toch maar good veur mich geregeld, maar ge kómp mich waal opzeuke hè’. We vónde det ut noow inens toch allemaol waal erg flot ging, maar ja, dit waas ut beste. Greet verhoèsde nao de Wieë en zaoterdig zuuj ut hoès al waere laeg gemak. Vrièdig wie ik truuk kwaam van de Pope stónd d’r unne laevesgroeëte kammezäöl van unne container in de veurtuin. De volgende morge woorte we wakker van un dónderend leweit. We zoge twieë persoeënewages beej Silf en Greet veur de deur. De twieë dochters en eur manne ware ut hoès aan ut laeg haole. Marijke schuuef de gerdienkes van de slaopkamerraam aan de kant. We zeen det de kas met vakantie-dia’s van baoven-aaf in de container geflikkerd wuùrt, ut schrifke wappert d’r achter aan. D’r is gen óntkómme aan. Un paar dia’s probere aan d’n óndergank te óntvluchte maar fladdere as doèje vlinderkes weer truuk in d’n bak. De bankschroèf, de vaste baor, un gaasfles, un burootje . . . alles verdwiènt met ut graofste geweld in de grauwe vergaetelheid. Marijke pak mich vas en ik huùr um snoeke. Ik dörf um neet aan te kièke as ik dae groeëte moèje zelfgemakde kas met hónderde video-bend oèter-ein zeen valle. Marijke schuuef de gerdienkes weer toe en zaet: ‘Nou, det waas ut dan, zestig jaor verdwient in unne morge tièd in unne container . . . ‘. Effe later zitte we zwiègend aan ózze kóffie te nippe, op d’n achtergrónd huùre we ut krakend geluùd van unne koelkas dae baoven-op zelfgemakde kesjes velt.
‘Maar good det Silf det neet metmak’, zegk ik taege Marijke.
‘Waorum det se de Blauwe Pater neet gevraog hebbe um ut hoès laeg te haole?’, zaet Marijke.
‘Dae geit met mièr respek um met de dierbare herinneringe van die twieë leeve minse’.
‘Maar ja, wat mótte ze eigelik ouk anders met dae ganse zooi?’, probeer ik michzelf veur te leege.
Smiddigs wuùrt de groeëte container opgehaold. En maar good, anders hadde de lièkepikkers de res van ut werk gedaon. De twieë schoeënzeuns gaeve mekaar un hand en de twieë zuskes kösse mekaar en ze gaon weer idder euren eige waeg.
‘Waorum mót ik noow inens aan Judas dinke?’, vraog ik Marijke.
‘Ik dink eigelik niks, ik veul mich al de gansen daag kótsmisselik’.

D’n tièd duit zien werk, maar we praote nog geregeld euver Silf en Greet. Ut raegent boète, ut is unne treurige zóndig. Dao geit d’n tillefoon. Ut is Greet det aan Marijke vruueg of we vanmiddig beej um dia’s wille kómme dreie. Ik zeen Marijke schrikke, maar ik knik det ut good is. En un eurke later zitte we beej Greet op ut kaemerke met schaemele ónherkinbare muibelkes. Ik vraog um wao de dia’s staon en ut wies nao de moorkas. En inderdaad, dao steit de dia-projector met dreej sleie met dia’s. Ik zegk taege Marijke:
‘Hèhè, gelökkig, det velt mich nog met’. Ik zet de projector op de taofel en haol un schilderiej van de moor want un projectie-scherm hebbe we neet. De ièrste slei geit in de projector en Greet kreit:
‘Aoh wat moèj, det waas un ech schoeëne vakantie aan ut Gardameer’, en ut vertelt hónderd oèt. Marijke zet kóffie en pak de zelf meigenaome kukskes oèt zien tas. De dreej sleie en de kóffie doon eur werk. Greet zit op ut puntje van ziene óngemekkelikke stool te genete. En as Greet ut neet mièr wet, zuùg ik beej idder niej plaetje un verhaol oèt mienen dieken doèm. Die mich kinne weite det mich det gen inkele meuite kós. Greet moedig mich allein maar aan en Marijke mót mich wat aafremme.

‘Det waas erg gezellig, det mótte we nog ens euverdoon’, rup Nel as we weer weggaon. Ik probeer veurzichtig te vraoge of d’r nog mièr vakantie-dia’s zièn. Want dae moorkas is veur de res akelig laeg. Greet zuuj ut vraoge aan ein van eur dochters!?
Maar helaas ware die dreej sleie en dae projector de enige tasbare euvergebleve herinneringe aan un zestig-jäörige innige relatie met ziene leefste Silf. Dus vertelde ik de volgende kièr maar euver die ónvergaetelikke vakantie aan de Bodensee in Zwitserland. En de kièr dao nao euver die geweldige vakantie aan de Titisee in ut Schwartzwald. Zelfs die breie Gölp beej Slieënake kwaam veurbeej. Alles met diezelfde dreej sleie met diezelfde dia’s. Greet genoot en verdrónk haos in miene fantasie-waereld:
‘Des dich det allemaol nog zoeë good wets . . .’.
‘Aoh jao, dao hebbe we toen zó’n lekker stök taart gegaete’.
‘Is miene Silf det in die korte bóks, geweldig hè . . . ‘.

Marijke en ik wandelde erges in ut midde van Frankrièk, ik weit ut nog good. Ut waas in Saint-Priest-la-Prugne, de telefoon van Marijke ging. Ut waas slech waer in Blièrick, of we vanmiddig dia’s kóste kómme dreie.
‘We zien aan ut wandele in Frankrièk, we kinne neet kómme vanmiddig’.
‘Aoh, vraog es aan Jan of we dao ouk gewaes zièn? Kin hae mich dao euver vertelle?’.
‘As we weer thoès zièn dan doon we det zeker weer’.

Det waas de letste kièr det we Greet kóste spraeke. Twieë aandoonlikke minse verdwene oèt ós laeve. Ik haop det geej ze veur efkes in óch hert wilt sloète.

donderdag 21 oktober 2021

Sjraar krieg un ald luifelke

Ik huùr gevlook beej ós achter in de paad, det kin d’r maar eine zièn. Toch gaon ik maar effe kièke, want meschiens velt d’r waal wat te lache. Ózze buurman schravelt door de paad met unne hiele groeëte alde luifel. As ut um oètkump haet hae las van ziene rök, maar as d’r wat te haole velt is dao noeits wat van te merke. Hae probeert unne luifel van zón veer maeter door zien paort de plaats op te dreie. Ik staon d’r beej met mien hand deep in de bóksetès, want as ik mien hölp aanbeej dan is de lol d’r te flot aaf. Hae haet det ganse geval horizontaal op zien baovebein ligge en probeert al schuùfelend d’n baog te neme. Hae steunt en hae kreunt en ut lök um van gens kante. Det zuuj hièl simpel gaon as hae det óndink wat mièr vertikaal zuuj halde. Maar dao kump dae knöppel neet op. Van d’n eelend velt hae achtereuver op zien kónt, klem tösse de moor en zien nieje aanwins:
‘Godvernondedjuu! Véronieieieie! Kóm mich ens helpe’.
‘Wat noow weer? Hebs se dich pièn gedaon?’.
‘Höf det dink ens op det ik d’r ónder-oèt kin’.
‘Wellek dink . . . ‘.
‘Dao wao se haos op steis stóm trut, gewoèn ophöffe van de grónd’.

Nao vuùl schelde, kuueme, rökke en schuùve kriège ze det dink oèteindelik achter op de plaats De rös is veurluipig effe truuk en dae vale gael-wit-gestreepde luifel leet nog mièr te verkómmere.
Un paar waeke later, ut geit gebeure, ik huùr Sjraar schelde taege zien vrouw. Flot nao boète en dao staon ze allebei. Véronie op unne keukestool helt det zwaore geval umhoeëg. Sjraar steit op un keuketrepke en helt met ein hand det dink taege de moor. In de andere hand un krietje:
‘Wie hoeëg mót-e kómme te hange?’.
‘Ik weit ut neet, zoeë is ut waal good dink ik’
, zaet Véronie.
‘Dinke mós se aan mich euverlaote! Zoeë kump-e te hange’. Ik kin ut neet naolaote en scheet in de slappe lach.
‘Pssst Jan, kóm nao binne, die kinne dich toch huùre’, zaet Marijke. Maar dit laot ik mich neet óntneme. Ik haol mich binne un tas kóffie en gaon d’r mich ens good veur zitte. Met un vuuls te bótte baor waere ach gater in de moor gemak. Veer aan ózze kant en veer baove eur achterdeur. Wiebelend op zien keuketrepke probeert hae wat extra krach beej te zette. Vlokend op die baor die tergend langzaam de moor ingeit. Twieë plate waere aan de moor geschroèf en Véronie mót kómme helpe um de luifel d’r in te hange. Nao dreej kièr ‘Stóm guij scheet ens wat op’, lök ut Véronie eindelik. Allein Sjraar is nog wat aan ut klungele: ‘Jao, aan diene kant is det mekkelik . . . ‘. Sjraar kruup van zien trepke en kiek gruuets nao ziene nieje luifel. Nog gruuetser dreit hae aan de slinger en de twieë knik-erm strekke zich oèt en de luifel wuùrt un vaal gael-wit aafdaak.
‘Hink-e zoeë good’, vruueg hae aan Véronie. Det wilt nao boète kómme maar det geit neet. De deur stoeët taege ein van die knik-erm. Ut schravelt zich d’r toch tösse-door nao boète en bekiek zien niej schaduwplekske veur de zomer.
‘Hae hink vuuls te lieëg! De deur geit neet aope en det dink hingk veur de raam in de kamer. Noow kin ik neet nao boète kièke’.
Sjraar duit dreej stappe nao achter, griep nao ziene kop en ik weit zeker det hae noow gevaorlik dreit met zien schael döp:
‘Godverdegodverdegodnondedjuu . . ‘, huùr ik um minstes tieën kièr achterein oètrope en dan idders kièr harder.
Met vuul gesakker, gevlook, gekuuem wuùrd det ganse geval weer van de moor aafgehaold. Ik bin intösse nao binne gegaon veur mien twieëde tas kóffie en vertel ut relaas aan Marijke:

‘Astebleef Jan, gedraag dich un bietje en lach neet mièr zoeë schaterend. Wat mótte de minse dao neet van dinke?’.
‘Dinke mótte ze aan Sjraar euverlaote’, zegk ik en zeuk mien plekske weer op veur ut volgende bedrièf van miene buurman is klusser.
Sjraar en Véronie vechte intösse taege un echscheiding of sollicitere nao de volgende partnerruil. Sjraar mak ach nieje gater, veur de zekerheid maar unnen halve maeter hoeëger. De keukestool van Véronie mak plaats veur de keuketaofel en Sjraar balanceert op laeve-en-doeëd op de baoveste traej van zien keuketrepke. Ik heb kómpassie met die baor die nog traoger ach gater mót make. Ik kin ut neet naolaote en zegk:
‘Good gereidschap en un gooj vrouw zien ut halve werk, hè Sjraar’. Hae zaet niks, maar kiek mich gevaorlik dreiend met die schael döp aan. Oèteindelik hink det geval keurig net ónder de slaopkamerrame en Sjraar luuet die knik-ermkes weer strekke. Ik huùr um in zich zelf mómpele en hae rup:
‘Kóm us kièke of hae zoeë good hink’. Véronie huppelt noow zónder obstakels nao boète en sleit de hand veur ut gezich:

‘Nae Sjraar, det kin neet! Noow hink-e te hoeëg, heej hebbe we ech genne schaduw van!’. Sjraar stik zien hand in de lóch, op zeuk nao steun van hoeëgere machte. Dan sleit hae met allebei zien hand op de kneen en sprik haos smekend:
‘Och miene leeve God, wat noow? Help mich astebleef want ik weit ut neet mièr’. En God verhuùrde um en steurde op det moment ziene schoeënzoon achterum:
‘Aah jung, wat bis se noow weer aan ut doon?’. Sjraar dreit zich um:
‘Ik weit ut neet mièr. Ik probeer miene nieje luifel op te hange. Ièrs hink-e te lieëg en noow hink-e weer te hoeëg. Die vrouwluuj weite noeits wat ze wille . . . ‘ . Ziene schoeënzoon löp nao dae luifel en kiek ens umhoeëg en schuut in de lach:
‘Wat bis dich toch unnen höllewölle, dich kins ouk ech niks’. Sjraar löp met aafhangende schuiwerkes op um aaf en loens met zien schael döp en aope moel ouk umhoeëg.
‘De kins nog ens tachetig van die gater d’r beej make, maar met die twieë stelschroève kins se dien schaemel luifelke presiès stelle wie Véronie ut wilt hebbe’. Ik verslik mich haos in miene kóffie en schater ut keihard oèt van ut lache. Sjraar huùrt det, kiek mich aan en ik zeen um wild rolle met zien schael döp. Hae kiek nao die stelschruufkes en luùt zich met gestrekde erm achtereuver valle op zien zevendehandse tegels.

Marijke kump nao boète: ‘Jan, noow is ut waal good, kóm nao binne’. En as ik un eurke later mich toch weer nao boète waog zitte Sjraar, Véronie en eure schoeënzoon  gezellig ónder ut luifelke. As-of d’r niks gebeurd is same aan de kóffie. In de weldadige schaduw van un vaal gael-wit luifelke.

maandag 18 oktober 2021

Sjraar mak un aafdaekske

Ós moèje conifere zien al unnen hièlen tièd gesneuveld veur ut Sjraar-kalifaat. Marijke haet gezörg det die lillike schutting langzaam greun kleurt met hoeëge plante d’r taege en vuùl van die kleine plentjes dao weer veur. De herfs is begós, ut weit, ut raegent en ut is kald. Aan d’n andere kant van de schutting is ut alweer unnen tièd té röstig. Die alde greune en broène schuttinge haet Sjraar inein gefiespernöld nao un kniènshok. Werkelik, ik zuuj mich as knièn rot schame um in zón bouwval te mótte hoèze. Maar die ein groeëte half verrotte schutting steit nog oètdagend te wachte.

Op unne gojjen daag kóm ik truuk van de Pope. Ut raegent det ut zeik en kletsnaat kóm ik thoès achterum. Ik maak de paort aop! Wat is det . . . ? As un echte waterval klettert ut water van ut Sjraar-kalifaat beej ós in de paad. Haet dae ónneuzele extremist un aafdaak gemak van die letste schutting. Gewoèn baove op de rand van zien scheur gelag en dan laote röste op ós nieje schutting. En dan aafgedek met blauwe plastic dae gegarandeerd geschoep is erges op unnen bouw. Marijke steit mich op te wachte en zaet: ‘Hebs se det gezeen wat hae noow weer gedaon haet?’. Ik gaef gen antwaord en loup nao de gank um mien nate kleier oèt te doon. Daen botte knaok wet altièd oèt te kiene as Marijke en ik tegelièkertied nao ut werk zièn. Nog erger as de Taliban in Afghanistan sleit dae geniepig ziene slaag.
Wie kómme we heej weer vanaaf? Saoves bel ik miene zoon op, dae haet unne gojje vrind dae hendig is met holt. Ik vertel um ut verhaol van ut aafdaekske van Sjraar en ik huùr emus duchtig vlooke aan d’n andere kant. Ik zegk: ‘Maar röstig aan, we wachte maar ièrs det ut weer druueg is’. We trekke ós plan en de volgende zaoterdigmorge schiènt d’r zelfs un herfs-zunke. Dae vrind van miene zoon steit met zien bestelbus veur de deur. Zón groeëte hand-cirkelzaag wuùrt achterum gesleip en miene zoon löp d’r achteraan met un bouwtrepke. De zaag wuùrt aangeslaote en ut aafdaekske 15 centimaeter euver de volle breidte binne de grenze van ut kalifaat aafgezaag. Miene zoon en ik halde ut nog efkes vas wies ut gans doorgezaag is en laote dan gelièk los. Met un geweldig gekletter velt die rot-schutting nao ónder. Sjraar, Véronie en euren erme hónd kómme alledreej aeve hard blaffend nao boète. Sjraar schrièuwt:
‘Wat hebs se noow met mien aafdaak gedaon?’. Ik kièk um hièl stóm aan:
‘Aafdaak? Ik zeen gen aafdaak!’.
‘Ik bel de pliessie’, rup Véronie met un euverslaond stumke.
‘Noow maar effe dimme, kóm maar achterum, de kóffie steit klaor. En de pliessie hoof se neet te belle, det heb ik al gedaon’, zegk ik.

Maar wat ze neet weite, is det ik de zaak wat besodemieterd heb. Ik heb eige-hendig unne keurigen breef opgesteld op breefpepeer van de Gemeinte Venlo. Keurig heb ik in ambtelijke taal beschreve det ut ‘hemelwater’ noeits beej de bure meug aafwatere. Det de bure 15 centimaeter op eige terrein det water mótte opvange in un gäöt die weer aangeslaote mót waere op de riolering. Sjraar dreit weer gevaorlik met zien ouge, de moel velt wièd aope en ik zeen un dröppelke kleek hièl traog euver zien kin loupe. De kalief van ut kalifaat en zien vrouw verslikke zich haos in ózze sterke kóffie.
‘Wat noow’, zaet Véronie, ‘wao mótte we noow de fietse druueg neerzette’.
‘Wach effe’, zaet Sjraar en kiek mich aan: ‘Laot mich daen breef ens laeze’. Maar ik hald daen breef stevig taege mich aan en zegk:
‘Hoho, det haet mich 1200 euro aan leges en advekaot-ore gekos. Det mós se zelf maar regele en aanvechte. Maar as dich un aafdaekske wils, dan mós se dich waal aan de regels halde’. De vrind van miene zoon fluustert d’r nog achteraan:
‘Ik kin dich waal un moèj aafdaekske make veur 1200 euro, zoeë gepiep!’. Sjraar dreit weer gevaorlik met zien ouge en löp nao hoès: ‘Nog in gen 1200 jaor betaal ik det veur un aafdaekske’. Véronie sloebert ut letste sluukske van de kóffie nao binne en dribbelt achter um aan. D’n hónd twièfelt en blief nog effe beej ós, zón lekkere hóndekukskes wie van Marijke krièg hae blièkbaar thoès neet.

Ut wuùrt weer röstig in ut kalifaat. Nou ja, laote we zegge tamelik röstig. Want de volgenden daàg waas de knièn oèt zien schaemel hok weite te óntsnappe en had un gaat ónder ós moèje schutting gegrave. Hae huppelde hièl bliej rónd en veulde zich bes good thoès beej ós in ut greun. Dao kump daen botkop baove de schutting:     
‘Haej! Hebs dich ózze knièn gezeen?’.
‘Ouk gojje morge Sjraar, welke knièn?’.