zondag 18 juli 2021

Atletiek-miljoenaer

Frits Faosse is neet mièr, ózzen atletiek-miljoenaer haet ós verlaote. Óntelbare kière fietsde Frits nao ut Saorbrook, nao d’n Berg en nao Vrijenbroek. Noeits um op zien kónt te gaon zitte, altièd um zich ut schómpes te werke um zien jónges en zien maedjes te laote atletieke. Dae in ós sport de naam van Frits Faosse neet kint, dae haet de letste 75 jaor ónder unne stein gelaef.

Unne miljoenaer waas in ut alde Roeëme unne gladiator dae mièr as 1000 euverwinnige had behaold. Óntelbare euverwinninge haet Frits op zichzelf behaold en bleef zien ganse laeve d’n atletiek trouw. Roeëd-Wit, AVB, Festina of Scopias. Vereiniginge en sportparke veranderde van naam en plaats. Ein dink veranderde noeits, op Frits kóste ze raekene, niks waas um te vuùl.

Weej atlete hebbe vuùl respek, zièn gruuets en danke ózze Frits Faosse. Ut bestuur woel um waal ens aan de kant schuùve, maar zien jónges goven um allemaol eur veurkeurstum. Atletiek duis se toch neet met de moèl maar met de hendjes en met dien hert. Frits waas ózzen trainer, ózzen allerbeste starter, ózze vertrouwespersoeën, ózze materiale- en klusjesman. Frits waas ózzen alles op ut atletiekveld, ein laeve lank.

Ut kapitaal van ózzen atletiek-miljoenaer zal neet verschummele. Zien jónges en maedjes loupe nog altièd rónd op ut veld. We zièn allemaol hièl bedreuf maar ouk dankbaar tegelièk. We hebbe neet gewach tot nao zienen doeëd met um te ière. Weej hebbe um veurgedrage as lid van verdeenste. We hebbe ózze Frits altièd op hand gedrage. Same met Frits un pilske drinke nao de wedstrijd dao genote weej van.

Frits is ech de raeje waorum atletiek altièd mien passie is gebleve. Ein groeët veurbeeld, as actieve atleet, met de hand oèt de mouwe staeke en zeker met de jeug bliève stimulere veur ós sport. Wie ik um de letste kièr opzóch zoot hae dao in ziene stool, hae waas muùch, ut ging neet mièr, ut waas op. En óngeluiflik maar ech waor! Hae droog ut shirt van Scopias en zien ièrste vraog waas: ‘Wie geit ut nog beej Scopias?’.

Ut geit good met Scopias, dien werk zit d’r op, de hebs dien rös diek en döbbel verdeend. Vanmorge heb ik nog ónkroèd getrokke róndum de slingerkoèi. Det deejs dich ouk altièd tösse-door. Ik heb dao beej un träönke gelaote, aan dich gedóch en gans allein aafschièd van dich genaome.

Frits, oèt naam van al dien jónges en maedjes in de atletiek: un miljoen kièr dank.

vrijdag 16 juli 2021

Grilligheid van de Maas

Hoogste peil ooit in 1643

De Maas, in het Frans aangeduid als la Meuse, is een 950 kilometer lange rivier in West-Europa. Het stroomgebied wordt ingeklemd door de stroomgebieden van de Seine in het zuiden, de Rijn in het oosten en de Schelde in het westen. De Maas ontspringt in Frankrijk op het Plateau de Langres en stroomt daarna nog door België en Nederland. In Nederland is de Maas de zuidelijkste van de grote rivieren en mondt uit via de Nederlandse rivierdelta in de Noordzee. De naamgeving Maas is afgeleid van het Middelnederlandse Mase. En komt niet zoals vaker beschreven van het Romeinse Mosa. Het is zelfs aannemelijk dat de Germanen al hun eigen naam hadden voor de rivier, zoals die nu in het huidige Nederlands, het verwante Duits en het Frans is bewaard. 

De Maas is een regenrivier waarvan het peil sterk afhankelijk is van neerslag. De meeste regen komt uit de Franse en Belgische Ardennen, waar de oppervlakte te rotsig is om veel water te kunnen bergen. In de winter is er bovendien weinig vegetatie en zijn er periodes van dooi. Ook verdampt er nauwelijks vocht. Ten slotte is het reliëf van het Maasbekken erg groot, waardoor het water met grote snelheid wordt afgevoerd. Waar nu de A73 en de A2 de snelste noord-zuid-verbinding vormen door Limburg, was dat in vroeger tijden de Maas. De Romeinen, de Noormannen, de Spanjaarden en de Fransen trokken vaak plunderend langs en over de Maas. Eeuwenlang verzorgden de Maasschippers de logistiek tussen het Luikse mijnbekken en de Hollandse watersteden. 

Blerick heeft dus door zijn ligging aan de Maas veel te danken maar ook te wijten. Het ligt een beetje beschut binnen de maasmeanders Dubbroek, Koelbroek en Ubroek. Alle oude boerderijen lagen keurig op de vruchtbare afzettingen van de Maas. De bewoners van Blerick werden eeuwenlang verrast door de grilligheid van de Maas. In zijn normale doen voert de Maas ca. 200 m³/sec water af. Meestal schommelt het waterpeil om de 11 meter +NAP. 

Regelmatig is de Maas hoeëg zoals we dat zeggen. Door de verbreding en verdieping van de Maas vanaf 1840 werd het water steeds sneller afgevoerd en de indijking van de rivier zorgde ervoor dat dit water nergens opgeslagen kon worden. Om die redenen waren er heel wat overstromingen in de 20e eeuw. De grootste overstromingen vonden plaats in januari 1926, februari 1984, december 1993 en januari 1995. Via overlevering van onze grootouders weten we veel van de watersnood in 1926. De foto’s, verhalen en publicaties herinneren ons aan die watersnood. Veel van ons hebben het hoge water meegemaakt in 1984, 1993 en 1995. 

Bij de overstroming van de Maas in 1643 bereikte de Maas haar hoogste waterpeil sinds de geschiedschrijving. De vele dijkdoorbraken en overstromingen veroorzaakten enorme schade en kostten honderden mensen het leven. De omvang van de destijdse waterafvoer wordt geschat op 3.600 m³/sec, zo’n 18 keer zoveel als de gemiddelde afvoer van de Maas.

In Hoei werden door het hoge water fabrieken, molens en 200 huizen vernield en kwamen tussen de 65 en 80 mensen om het leven. In Maastricht bereikte de Maas een hoogte van 47,89 meter boven NAP, bijna een meter hoger dan tijdens de grote overstromingen van 1926 en 1993. Bij Meers spoelden de dijken en het oude gedeelte van het dorp weg. Het oude kasteel Elsloo verdween voorgoed in de Maas: de ruïne is bij zeer laag water nog te zien. Het dorp Obbicht werd op 15 januari na een dijkdoorbraak geheel weggespoeld, waarbij mogelijk meer dan 500 doden vielen. In Venlo werd het hoogste waterpeil van 19,50 meter boven NAP op 17 januari bereikt, getuige een ingemetselde gedenksteen in de binnenstad waarop vermeld staat dat dit peil op Antoniusdag 17-01-1643 bereikt werd. Helaas geen schriftelijke overleveringen uit Blerick, wel in Grubbenvorst. Op 17 januari 1643 beschrijft Henricus Cuypers, alias in den Eyckelboom de situatie in Grubbenvorst: ‘Anno 1643 op S.Antonij daegh waess die Maess so groodt daetse over den cruiss wegh stoont tegen Renszen Kaemp ongeveer anderhalfft rooij wiedt ende tegen den hoeck van onss huiss ende weel vier foodt hoogh opt coor van ons kerck so daetter veel kiesten om gedreven waerren daer twe op eijn stondt waer die boovest seer nae onder so datter veel schaeij geschiedt waess ende ock dat huiss opgen maess om gedreven so daetter maess op ende mir groette elendt en schaeij geschiedt waess’. 

Naast tijden van langdurige neerslag waren er ook periodes met praktisch geen neerslag. Een mooi voorbeeld lezen we in het Algemeen Handelsblad van 28-07-1969:

Laagwater brengt bommen boven

Maas onbevaarbaar

Op de Maas in Noord-Limburg is sedert zaterdag het scheepvaartverkeer absoluut onmogelijk. Zondagavond om acht uur was de waterstand 9.50 m boven NAP, hetgeen ongeveer ruim anderhalve meter lager is dan het normale zomerpeil en vergeleken met het winterpeil ongeveer acht meter verschil is. De Rijkswaterstaat liet de stuwen strijken en de pontveren staakten de diensten. Verwacht wordt dat het waterpeil nog ongeveer een meter zal dalen. Door de abnormaal lage waterstand kwamen de oevers blank te staan. Zo kwam in Venlo zondagmorgen een opengesneden brandkast tevoorschijn waarvan de herkomst onbekend is en zag men op tal van andere plaatsen in Noord-Limburg bommen en granaten uit de Tweede Wereldoorlog aan de rand van de rivier liggen. In Venlo moest een speciale peiling in de rivier worden geplaatst omdat de andere meetinstrumenten volkomen droog stonden. Tijdens de abnormaal lage waterstand wil de Rijkswaterstaat stuwen repareren en voorts de schade doen opnemen van de oevers.

Het hoogste waterpeil in 1643 en de laagwaterstand in 1969 geeft een verschil van 10 meter aan. Je zult maar maasschipper zijn, die met deze omstandigheden moesten omgaan. We kunnen ons dat bijna niet meer voorstellen, maar het kwam ook voor dat het water van de Maas stilstond. De Maas ging met ijs. 

Je kon over de Maas lopen

In 1929, 1940, 1942, 1956 en 1963 konden de Blerickenaren over het ijs naar de stad lopen. Ik kan me dit nog herinneren, zonder dat mijn moeder het wist nam mijn vader me aan de hand.

Op 13 januari 1861 ging de Maas met ijs, ze was dicht gevroren. ’s Morgens m negen uur vroor het 15,6 graden en die nacht zakte de temperatuur naar bijna 20 graden onder nul. De ijsschotsen stonden op veel plaatsen in de Maas rechtop en toch liepen de mensen er over heen. Op 17 januari vroor het ’s morgens om negen uur nog maar 5 graden, en ’s nachts om twee uur nog 2 graden. Vanaf dat moment ging de temperatuur geleidelijk weer omhoog, maar 25 januari zat de Maas nog steeds dicht. 

IJsschotsen in 1945
Het weer gaat sterk af. Den 25 Jan. leidt de Maes nog toe en heeft, groote watersnood veroorzaakt en dijkbreuken in de Bommelerwaard van 100 ellen en honderde huijsen overstroomt en duizende menschen doen vlugten te Bommel en omstreken. Den Bosch en omstreken staan onder water en 3000 menschen sijn er gevlugt. In onze provincie te Obbicht en Papenhoven sijn bergen van ijs in de Maes en men vreest voor eene dijkbraak. Te Blerick bij Venlo heeft het water gestaan tot aan de daken der huijsen. Men heeft bijna door gans Europa collecte gehouden, alsook te Maastricht. De Maes is opengebroken den 26e sonder ongeluk. Den 23 Jan. heeft men te Eijsden van de Maes het ijs gepeild en bevonden 5 meter dik te zijn.

 

woensdag 14 juli 2021

Moèj böl en un strak kuntje

Ut is 1964 en ut laeve veur unne jónge jóng van 17 jaor is neet gemekkelik. Zwaore waeke op de Militaire Academie en in de wiekènde duchtig oètlaeve met atletiekwedstrijde en hörtig op de joets. De instuif noom daobeej un belangrièke plaats in. Net as dae zóndig in Ons Huis, beej ós thoès achterum, nog gen twieë minute loupe. Keurig in mien dreej-deilig griès pekske met slieps en beejpassend posjetje. Mien vrinde ware d’r al en stónde aan d’n tap met ut ièrste glaas beer. In de zaal zote de maedjes aan täöfelkes naeve de moor. In daen tièd mochte de maedjes nog beoordeild waere op eur moèj böl en strakke kuntjes. Ge mót mich op mien waord geluive, maar ik deej dao neet aan mei.

Ik dreide mich um met mien glaas beer nao de zaal en dao zoog ik um veur ut ièrs. Ut ougkóntak met ut moèjste maedje van de ganse zaal sloog in wie d’n bliksem op unne zwoele zomeraovend. Dae melancholische blik met die heldere leechblauwe ouge, det veurzichtig getuite mundje en dae prachtige slaag in die dónkerblónde haor. De kraag van mien pas gestreke euverhaemp zoot inens vuùls te strak en mien posjetje begós spóntaan te danse op ut ritme van mien op hol geslage hertje. Vanaaf det moment wiste ós ouge mekaar mekkeliker te vinde as mekaar weer los te laote. Nao de nuùdige pilskes en de nuùdige twièfels rapde ik alle mood beejein. Ik knuipde mien colbaertje toe en leep op um aaf en knikde of ut met mich woel danse. En effe later zweefde we same ‘quick-quick-slow’ in de zevenden hemel euver die diek geboende vloer van Ons Huis as of we mekaar al jaore kóste. Allein, ik kreeg d’r gen waord oèt, de zenuwe knepe mich de kael toe en wiejer as ‘halven-dans’ kwaam d’r ech neet oèt. Wat veulde ik mich unnen höllewölle, maar ut maedje had met zien moèje ouge d’r veur gezörg det ik kómpleet de klöts kwièt waas. Daen aovend woord wie iemer aafgeslaote same met mien vrinde beej de Witte en un letste frietje beej Hoebe.

Ik heb um noèits mièr dörve te vraoge maar ós ouge bleve mekaar maar vraogend aankièke. Van emus anders hoorde ik det ut Ireen hoot en twieë jaor alder waas as mich. We verlore mekaar oèt ut oug maar ik dóch nog waal ens aan um en aan mien ónbenölligheid. Wat unne bleude klojo waas ik toen! Het had intösse unne vrind en ik had ouk un maedje gevónde. Ut woord vastelaovend en we ginge met de ganse bubs op de joets op de Parade in de stad. Beej Blue Note kóste we ós maar net met ut ganse stel door die smale gats nao binne douwe.

‘Doorloupe wies achterin beej d’n tap’, reep d’n veurste. En halverwaege . . . dao stónd Ireen met ziene vrind. Dae melancholische blik makde plaats veur unne stralende lach wie un lente-zunke en ik zoog die getuite lipkes bewaege. ‘Aah Jan’, reep ut en twieë ermkes grepe mich stevig vas. Ik zag wie gewuùnlik niks en veel in zien erm. Ik kösde um met euvertuùging op zien wengskes en het umklemde mich zoeë stevig vas, as of ut mich noeits mièr los woel laote. Mien gezich verdween in ziene nek achter die moèje dónkerblónde häörkes. Ik kösde um op ziene bloeëten hals, ut veurspel waas eindelik begós. Maar ao-jei, tegelièk veulde ik emus resoluut trekke aan miene roèje boerekeel met van die zwarte gebraoke hertjes d’r op. 

Det is de allerletste kièr det ik Ireen gezeen heb. Mien allermoèjste maedje van de instuif det insloog as un bóm en mich ut praote ónmeugelik makde. En had ut noow moèj böl en un strak kuntje? Ik weit ut ech neet, maar die leechblauwe ouge en daen aovend in Ons Huis zal ik noeits vergaete. 

 

vrijdag 9 juli 2021

Pierre Orval is neet mièr

Gister, dónderdig 8 juli 2021, is mien naef Pierre Orval toch nog vreej plotseling euverleje. Hae waas al unnen tièd krank, maar ut scheen baeter te gaon. Ik woel um gaon opzeuke en noow hoof ut neet mièr. Det duit pièn, det duit mich ech vuùl verdreet.

Hièl vuùl minse kinne Pierre Orval as unne vrintelikke aimabele mins, maar veural as unne hièle gojje muzikant. Hae haet in verschillende orkesjes gespeuld in de ganse regio tot euver ós landsgrenze haer. Hae speulde un breid repertoire schitterende dansmuzièk en idders-kièr brach hae ouk un paar persuuenlikke nummers wao-mei hae idderein wis te rake. Ik zeen um nog staon met twieë blokfluite op de neusgater, hae speulde magistraal ‘El condor pasa’. Gruuets keek ik nao um op en zag taege die naeve mich stónde: ‘det is mien naef’.

Pierre greujde op same met zien mam Tilly beej zien opa en oma. Zien vader hadde ze vuùls te jóngk in 1948 in Indonesië achter mótte laote. Ós mam had zien foto beej ós aan de moor hange. Ik lièrde Pierre kinne as klein menke wie ik op bezeuk ging beej zien groeëtelders, mien tante Luus en miene ome Sjaen. Ze woeënde op de Plataanstraot 7 in Tegele. Ome Sjaen stónd altièd as unnen ald-militair kersrech aan de straot of achterum beej ut päörtje. As ik binne-kwaam woort ik huùrbaar en veulbaar welkóm geheite door zien mam Tilly en mien tante Luus. Ut rook d’r altièd heerlik nao Indisch aete, ut water leep mich al oèt ut muulke. As ik met Pierre had gespeuld, meus ik bliève aete, det vergaet ik noeits van ze laeve mièr. We deje allebei vanaaf de tieën jaor atletiek: Pierre beej AVT-Tegele en ik beej Festina-Blièrick. Ouk dao vertelde we gruuets det we naefkes van-ein ware. Kleine Pierre waas unne top-sprinter en wièd de snelste destièds beej AVT. Maar de leefde veur de mezièk wón ut beej Pierre, ik doon nog altièd aan atletiek.

Idder ging ziene eige waeg, allein beej femielie-feesjes zoge we mekaar nog. En dan waas ut altièd good, we zóchte ós efkes op en sproke euver ós femielies en wat ós wiejer bezig heel. Det begós met:
‘Aah Jan, wie geit ut nog met tante Tuut’, vroog Pierre dan.
‘Good en wie geit ut nog met tante Luus’, zag ik dan. Want mien moder waas zien lievelingstante en zien oma waas mien allerleefste tante. Neet allein umdet ze zoeë good kós kaoke, maar ut waas un hièle leve en un verdomde moèje tante.

De letste kièr ging ós gesprek euver al ós dierbare leve minse die d’r neet mièr ware. We meuste constatere det ut leid ós ouk neet bespaard waas gebleve. Maar ut waas un positief gesprek, d’r waas nog zoe-vuùl um van te halde en veur te laeve. Pierre, idders kièr as ik ‘El condor pasa’  huùr, zal ik aan dich dinke. Aan mien naef, unne fijne mins dae zoe-vuùl moèje mezièk is ós laeve brach.

dinsdag 8 juni 2021

Wie het verleden niet eert . . . .

Op 25 juli 2017 wezen B&W van Venlo de oorspronkelijke gebouwen van de Frederik Hendrik kazerne én de volledige ommuring van fort St Michiel inclusief de grachten aan als Gemeentelijk monument. Overigens waren de oorspronkelijke gebouwen van de kazerne toen al Rijksmonument. Hiermee onderschrijven Rijk en Gemeente hand in hand het historisch belang van het dubbelmonument op de Blerickse oever: Fort en Kazerne.

Op 30 mei 2021 lezen we in de Limburger dat de gemeente Venlo versneld vijfhonderd woningen wil gaan bouwen op het kazerneterrein vóór 2025. De simpele aanleiding is de grote vraag naar woningen. Hiermee wordt met een kille harde klap duidelijk wat het historisch besef is van de gemeente Venlo. Ze zullen dit ongetwijfeld doordrukken, mij rest slechts nog eens te wijzen op het historisch belang. Ik voel me hiertoe door de wrede historische feiten gedwongen. Als welgemeend respect voor hen, die hun jonge leven gaven.

In 1641 werden het kerspel Blerick negentig morgen vruchtbare grond afgepakt voor de aanleg van het Fort Sint Michiel. We lezen in het archief dat de ‘Schottelkens hoof is begraven in het fort Sint-Michiel’ . Destijdse toponiemen als de Steenakker, de witte Schimmel, Schurfelkenskamp, het Lichteveld, ingen Heg, Prickensteert, Schuttelkenshof, Sintelkenshof verdwenen definitief uit de oude cijnsboeken en onder de werken van het nieuwe Fort. Zo’n tiental bloedige belegeringen van Venlo werden uitgevochten op de Blerickse kant, met name vanuit het Maasveld. Daarbij sneuvelden een paar duizend jonge mannen, hun gekreun en geweeklaag werd door ooggetuigen gehoord en opgeschreven. Alleen al op 18 september 1702 verloren 700 Franse en 260 Staatse soldaten het leven. Het terrein op en rond het Fort Sint Michiel is voor altijd doordrenkt met hun bloed. Elke vergelijking ligt altijd gevoelig, maar de erebegraafplaats op de Grebbeberg telt 850 graven. Ik zou de commentaren wel eens willen horen als de gemeente Rhenen hier 500 woningen op ging bouwen!?

De aanleiding is dat er in Nederland de komende tien jaar maar liefst 1 miljoen woningen uit de grond gestampt moeten worden. Tuurlijk kan niemand dat tegenhouden. Maar denken in alternatieven en een gezonde afweging zou mogelijk kunnen leiden tot betere keuzes? Vanmiddag fietsten mijn vrouw en ik over de Groote Heide in Venlo. Wat een ruimte! Thuis even opzoeken, daar liggen maar liefst 250 hectare mooie strakke bouwgrond. Strak genoeg voor de Duitsers om er tussen oktober 1940 en maart 1941 hun vliegbasis Fliegerhorst aan te leggen. Volgens mij zijn een commandotoren en een landweer de bescheiden Rijksmonumenten. Wat is de betekenis en het belang van die 90 morgen historische grond in vergelijking met die 250 hectare hei? Daar is wel plek voor een paar duizend woningen en dan blijft er nog genoeg over om te recreëren.

We fietsten over de Hinsbeckerweg terug richting Blerick, aan de rechterhand lagen in het groen verscholen van die gigantische vrije-sector-woningen. Wat zullen we schatten, zo’n 30 pandjes op een oppervlakte zo groot als het Fort? Lijkt me niet erg efficiënt en effectief omgaan met bouwgrond.

Waarschijnlijk strijk ik nu een paar wethouders en ambtenaren tegen de haren in. En oh ja, niet te vergeten, die onverschrokken bouwers die aasgieren op dat lapje grond. Die oude vervlogen toponiemen verraden dat op het middenterrein van het Fort een Schuttelkenshof lag en een Steenakker. Vage vermoedens dat er mogelijk nog een derde monument onder het asfalt van het exercitieterrein ligt. Misschien kunnen ze dan meteen even kijken naar de Paerdskoel. Een bejaarde inwoner van Blerick vertelde in 1966 dat daar paarden begraven liggen!? Waar een paar duizend soldaten sneuvelen, vallen ook ongetwijfeld enkele tientallen cavaleriepaarden. In Borgharen weten ze daar meer over te vertellen.

Besluitvorming over de bestemming van het kazerneterrein verloopt tergend langzaam. Informatievoorziening krijgt steeds meer het karakter van plotselinge confrontatie met voldongen feiten. Helaas moet het nu allemaal snel-snel gebeuren. Op 16 maart 2022 zijn de volgende Gemeenteraadsverkiezingen en dan is een volgende club verantwoordelijk voor deze historische blunder.

Wie het verleden niet eert . . . . is de toekomst niet weerd . . . .

maandag 7 juni 2021

Blièrick waorum?

Wie ermeutig ós dörp ouk is, wie schaemel ut d’r ouk aan toegeit
Ut blief de plek wao mien veurelders eur buuetjes meerde
Al mièr as dreej ieuwe zien ze d’r al daen tièd bliève hange
En daorum bis dich Blièrick de plek wao mien hert veur sleit

Op unne moèje Pinkstermorge in 1947 bin ik gebaore
En greujde op in die baeregezellige Lieuwerikstraot
Beej tant Jansse ging ik bietse veur det zelfgebakke kukske
Ut gebeurde in mien Blièrick wao ik Blièricks bin gewaore

Op de Aloysiusschoeël lièrde ik laeze en schriève
Met de ermkes euverein meuste we Nederlands praote
De Siem vertelde euver Blariacum en die stoere Germane
Vanaaf daen tièd wis ik al, in Blièrick wil ik altièd bliève

In de winter ginge we nao de bös, al waas ut ouk stein-kald
Rölse van de scheetberg en drinke in ut Mièrbaekske
Vlag verovere in de struùk en dan weer muùg nao hoès
Toen veulde ik al Blièrick, det ik van dich hald

Of ik ut Blariacum ging haole det meus nog blièke
Wiskunde, geschiedenis en dreej verschillende tale
Ik heb ut gehaold, maar wat ik dao ouk moch óntdekke
Veur ut ièrs nao knappe Blièrickse maedjes kièke

In deens meus ik schuttersputjes grave en op wach
Veur ut ièrs waas ik langer weg van mam eure geroète scholk
Ik lièrde veur mich zelf te zörge en op mich zelf te zièn
En waas bliej as de letste trein mich weer nao Blièrick brach

In de stad op de lappe gaon en met leuke schikse gesmoès
Danse beej de instuif en kleppe beej Lei van de Scotch club
Met un stök in de hakke midde in de nach euver de brök
Gelökkig weer truuk in Blièrick, hièl vertrouwd weer thoès

Ik ging trouwe en vónd un hoès midde in ut dörp
D’r kwame kinder, ik meus nog lière, ik meus van alles
Sporte, werke en dao naeve genete van ós eige Vrijbuiters
Ik vergoot Blièrick en mich zelf, ut laeve had mich opgeslörp

De helf van mien laeve met de fiets door waer en wind
De dräödjes en kaebelkes van de Pope ware 35 jaor mien passie
Vuùl collega’s woorte vrinde en andere bleve ieuwig vraemde
Maar dich Blièrick bleefs al die jaore miene beste vrind

As ik door de Kloeësterstraot loup dan dink ik ‘wie duueds’
Die laege winkels en steeds maar minder gezellige kefeekes
Ik vluch gauw de Helling aaf en zet mich op ut terras van Sur Meuse
Um mich huùr se Blièricks praote, det mak mich dan weer gruuets

Wao zien ze gebleve: d’n Haosboer, Welles en die Smeliënboerderiej
De scheetberg leet wièd verborge in klaverblaad Zaarderheike
Staekbaerskes vange in ut Brook det kin se ouk al schödde
Wie kin ut Blièrick, de maks mich altièd toch weer bliej

Noow bin ik alder en schrièf nostalgische verhäölkes in ut plat
Ik verdeep mich in de historie van ós dörp aan moder Maas
En leg herinneringe oèt mien ganse laeve veur de minse vas
Want Blièrick en mien Blièricks zien miene allergroeëtste schat.

donderdag 3 juni 2021

Carnaval en Corona

Wao kump de carnaval of de vastelaovend eigelik haer? Allewiels is ut gekoppeld aan zeve waeke veur Paose. Dreej daag oèt d’n bol en dan begint de vastentièd. D’n dinsdaag is de feitelikke vastelaovond, d’n aovend veur aswoensdig. Maar waas det altièd zoeë?

Meugelikke verklaoringe van ut waord carnaval kómme oèt ut latièn. ‘Carne vale’ beteikent aafschièd van ut vleis, waarschienlik umdet in de vaste gen vleis woord gegaete. De andere verklaoring is ‘Carrus navale’, wat scheepswage beteikent. Ouk waal un scheep op wiele, vol met narre die de minse veur de gek hele. De alde Grieke trokke al met de wièngod Dionysios op un scheep met rajer rónd.

Maar wièd veurdet de Romeine heej kwame vierde de Kelte en de Germane al eur niejaorsfieës midde in de winter. Maar wach us effe, vastelaovend is toch neet met niejaor maar ind februari, begin mièrt? Det klop, maar dan mótte we truuk nao 450 veur Christus. Toen waas februari de aafsloètende maond van ut jaor. Dae haet ouk maar 28 of 29 daag en makde op ut ind van ut jaor de telling sloètend. Gluif ge mich neet? Ut latiènse waor veur nege is ‘novem’, en november waas hièl vruùger dan ouk de negende maond. Wies ut midde van de 19de ieuw woord november aafgekort tot 9ber. Tieën in ut latièn is ‘decem’ en december woord lang aafgekort tot 10ber. Januari is geneump nao Janus, de Romeinse god van ut begin van ut ind. Fibbrewari waas de maond van de groeëte reiniging en boetedoening ('februa'). En 1 mièrt waas oeits niejaor. En det woord destièds gevierd met un symbolisch huwelijk (boèrebroèlof ?) van vader zón en moder aerd.

In un book euver de Germane beschrief de Romein Tacitus wie op un eiland unne gezaegende wage stónd in de vorm van un scheep. Op dae wage zoot Nerthus de godin van de vruchbaarheid, gans verborge ónder groeëte kleurige deuk. Dae scheepswage trok door ut land en euveral wao hae stopde waas ut fieës. De minse deje zich dan deuk veur ut gezich en stoke zich in de nieje kleier. De letsten daag, nao ut symbolische trouwfieës woorte Nerthus, de wage en eur kleier op un geheime plaats weer schoeën gewasse. Ouk de feesvièrders goeide de deuk aaf en begóste in ut niej gestaoke aan ut nieje jaor. Zeet ge ouk de euvereinkómste met ózze vastelaovend?

We gaon nog wat wiejer truuk in d’n tièd nao ut alde Babylon. Ouk heej woord un niejaorsfieës gevierd met un parade met rièk versierde scheepswages. In unne bónten optoch trokke ze al veur 2600 Christus nao de tempel van Marduk. In de parade deej ouk unne figuur met, verkleid in keuninklikke gewade. Det waas unne crimineel, dae veur dreej daag keuning moch speule. Op d’n derden daag woord dae nep-keuning kasje-weile gemak. Zienen doeëd waas un offer aan de god van de vruchbaarheid. En met zien sterve noom hae de zónde van ut volk op zich, zoeëdet die ‘gereinig’ aan ut nieje jaor kóste beginne. Ónder ut fieëste heufde nemus te werke en de slave ware gelièk aan eur meisters. Ze verkleide zich en verborge zich allemaol achter un maske en ware as persoeën neet mièr te herkinne. Zeet ge noow nog neet de euvereinkómste?

Op die vruùgere niejaors en vruchbaarheidsfieëste woord net wie noow óntzettend vuùl gebuis. En ouk det had un beteikenis. Theo Fransen zaet det zoeë moej in zien book Carnaval ontmaskerd: ‘Wièn duit ut verstand un maske veur en schakelt te groeëte neuchterheid oèt’. D’n alcohol mak un depere laog in ós vreej, we make ós zelf mood um efkes alles los te kinne laote.

Rónd 1900 woord in Blièrick de vastelaovend op dinsdig aafgeslaote met ut verbörre van Bacchus, de god van de wièn. Ónder de invallende duùsternis trokke de vastelaovesgekke achter unne veurbaejer aan, van-oèt ut dörp euver ut Niejborgs nao de kezelkoel. Bacchus waas un groeëte verkleide stroeëpóp en stónd stevig vasgebónde op un platte ker. De veurbaejer droog unne groeëte roeëzekrans, gemak van kleine petetjes gerege aan un stök tomatetouw. De veurbaejer zóng ziene klaagzang: ‘Bacchus, Bacchus, lillik bieës, haet zich kepot gezaope aan ut beer. Zeg mich wao geej um begrave woel?'. En de vastelaovesgekke reageerde dan met: ‘In de kitselekoel, in de kitselekoel, in de kitselekoel’. Daomei waas Bacchus, de god van de zeup en ut beer, veroordeild om verbörd te waere.

Maar is vastelaovend noow un christelik fieës? De pot op! De geistelikke hadde maar al te gaer de vastelaovend de nek um gedreid met eur 40-oors aanbidding. Met vastelaovend viere we taege alles in wie gekke d’n euvergank van de winter nao de lente. We beginne weer gans opniej nao-det we dreej daag alles van ós aaf hebbe gegoèjd. We viere ut nep-huwelik van vader zón en moder aerd. We verbörre ut slechte en staeke ós weer gans in ut niej.

Maar wat wil ik heej noow met zegge? Eigelik móste we dae Coronatièd aafsloète met unnen örtelikke vastelaovend. Efkes dreej daag knoèvele, zoèpe en geweid doon. D’n derden daag verbörre we ut Corona-spoeëk, gaon gewoèn weer aan ut werk en beginne weer hièl gewoèn opniej.