Tussen
1500 en 1800 kreeg het platteland erg te lijden onder de soldaten van dan weer
het Staatse dan weer het Spaanse leger, maar ook van legerbendes. En dat gold
zeker ook voor Blerick, Hout-Blerick en de Boekend. De gewilde vesting Venlo
werd in die drie eeuwen twaalf keer belegerd. De bezettingslegers bestonden
voornamelijk uit huursoldaten. Deze huursoldaten kwamen aan Spaanse zijde
vooral uit het huidige België, Frankrijk, Italië en Duitsland. De troepen van
Willem van Oranje werden geworven in het huidige Duitsland, Holland en
Zwitserland. De soldaten die door ons dorp en zijn buurtschappen trokken hadden
geen enkele binding met deze streek.
De
soldaten lieten de plaatselijke bevolking dan ook niet met rust als ze een
reden hadden om ontevreden te zijn. Honger, slaap, verveling en de soldij werd
vaak niet of te laat uitbetaald. Een leger bestond in die tijd uit vendels,
elk onder leiding van een kapitein. De kapitein was een spilfiguur in het
leger. Hij nam de soldaten in dienst en zorgde voor de betaling van het soldij.
Hij hield de rol (opgerold stuk papier) bij waarop zijn gehuurde soldaten
vermeld stonden, al dan niet vergezeld door hun vrouw en hun kinderen. Een
vendel kreeg van de kapitein opdracht voor krijgshandelingen en de dorpen
hoopten op sauvegarde, vrijstelling
van of bescherming tegen plundering of brandschatten. Een enkele keer moest een
boer dat bekopen met zijn leven, zoals we kunnen lezen in het begraafboek van
Grubbenvorst op 13 augustus 1670:
Overleden Joannes Buskens (Janssen), pachter op Santfort, aan
verwondingen aan de rug toegebracht door troepen te paard. Twee dagen geleden
door ons ontvangen, hij heeft zich dapper gedragen. Hij is buiten zijn woning
in Bercks-Broeck door een kogel getroffen, doorboord van de ruggengraat tot aan
de navel, dodelijk verwond, Amen.
En
er was nog een reden waarom het platteland het erg te verduren had. De oorlog
was voornamelijk een stedenoorlog. Een gebied was pas veroverd als de steden
bedwongen waren. In die tijd waren de steden versterkt met dikke muren en nauwe
poorten. Zij waren gemakkelijk te verdedigen. Veel aanvoerders kozen er voor ze
langdurig te belegeren tot een stad bereid was tot overgave. Al die tijd waren
de soldaten ingekwartierd bij de omringende dorpen, die ook nog eens forse bijdragen
moesten leveren. Voor Blerick zorgde de nabijheid van de gewilde stad Venlo meer
dan een grote bedreiging. Venlo is zo’n 12 keer belegerd geweest tussen 1500 en
1800.
Landweer
In
tegenstelling tot die dikke stadsmuren van Venlo moest Blerick het slechts
hebben van zijn natuurlijke begrenzingen. Blerick, Hout-Blerick en de Boekend
worden omsloten door de maasmeanders Dubbroek, Koelbroek en Ubroek. Zwakke
plekken werden door de dorpelingen versterkt met een landweer. Een landweer is
een diepe greppel die geflankeerd wordt door twee aarden wallen. Deze wallen
waren dicht beplant en de takken van het houtgewas waren ineen gevlochten. Dat
was een serieuze hindernis, die moeilijk te passeren was, zeker voor paard en
kar. Maar voor een leger was het nauwelijks een belemmering. Als een koe zich
aan de verkeerde zijde van de landweer bevond, was de eigenaar zijn koe meestal
kwijt. Landweren werden dwars op de toegangswegen naar de dorpen of steden
aangelegd. Slechts een enkele doorgang bleef over. Die passage kon men middels
een slagboom of hek (clapvaeren) afsluiten.
Wanneer plunderaars op rooftocht waren en met het vee of met paard en beladen
kar er vandoor wilden gaan, kon de inmiddels opgetrommelde bevolking de
passages sluiten en gezamenlijk verdedigen. Een landweer werkte dus als val en
had vooral een preventieve werking. In Hout-Blerick is kennelijk een dergelijke
landweer geweest. Op de Tranchotkaart
staat de naam ‘De Landwehre'
ingetekend op de plek waar nu de Moutzdijkweg ligt. Deze landweer sluit aan op
een lange en opvallend rechtlijnige houtsingel die van de Hout-Blerickse heide
tot de Krayelheide aangelegd is. Deze houtsingel was een gebiedsmarkering, die
mogelijk ook als landweer gediend heeft.
Germaanse wal
Ten noorden van Blerick lag ook zo’n
zwakke onbeschermde plek tussen het Koelbroek en het Ubroek. Hier werd door
ritmeester Ort
een Germaanse wal gevonden. Het is niet bekend in welke periode die is
opgeworpen. Verderop zien we op de kaart
dat Groot Boller in het noorden wordt beschermd door een grote wal, die de vorm
van een halve cirkel heeft met de bolle zijde naar buiten gekeerd. Zo’n beetje in
navolging van de maasmeanders. Bij de oude Wachtpost 6 (spoorlijn Venlo-Eindhoven)
sloot hij aan tegen het Koelbroek, in het oosten eindigt hij in hoge
natuurlijke heuvels. Boven de Germaanse wal lag destijds zeer drassig land,
waardoor de Mier- en Everlosebeek liepen. Deze wal is op sommige plaatsen meer
dan twee meter hoog, negen meter breed en ongeveer zeven honderd meter lang.
Met de goede aanleuning aan beide vleugels is het een zeer geschikte
verdedigingslinie en heeft vermoedelijk ook daarvoor gediend. Onder de boeren kreeg
hij de naam Germaanse wal, waarschijnlijk omdat hij er sinds mensenheugenis lag.
Achter de boerderijen de Zaar en Sint Jan herkende ritmeester Ort ook een
soortgelijke wal.
Schans
Zoals
gezegd hadden oprukkende legers weinig moeite met een landweer of de Germaanse
wal. Daarom legden de boeren om zich te beschermen tegen rovende soldaten boerenschansen aan, ook wel
vluchtschansen genoemd. Ergens in de zestiende eeuw ontstond het idee van deze schansen.
Er werd een gracht gegraven en de uitgegraven aarde gebruikte men voor het
opwerpen van een wal rondom een stuk land. Een eenvoudige ophaalbrug werd
gemaakt en klaar was de schans. Het struikgewas op de wallen diende voor
verdere bescherming. Men maakte de schans meestal ongeveer vierkant, doch de
plaatselijke omstandigheden dwongen vaak om genoegen te nemen met een
aangepaste vorm.

Het begin van de werkzaamheden
had heel wat voeten in de aarde. Voldoende gezinnen moesten bereid gevonden
worden de handen uit de mouwen te steken en moesten lid worden van de
schansgemeenschap. Dat wil zeggen het schansreglement onderschrijven. Er
moesten immers genoeg gravers gevonden worden en de kosten voor de aanleg en
het onderhoud moesten betaald worden. Ieder gezin dat meedeed, kreeg een stukje
land van de schans in gebruik. Iedere gebruiker van grond op de schans moest
daarvoor een bepaald bedrag betalen. Hiervan werd de aanleg betaald. Schansen
werden niet aangelegd door het bestuur van een kerspel, maar de bewoners van
een buurtschap regelden dat zelf en ze stelden schansmeesters aan. De schepenen
waren natuurlijk wel op de hoogte, stemden met het voornemen in en deden bij
conflicten een gerechtelijke uitspraak.
Het schansreglement - Hoofdbewoners
van hoven en woningen die een stukje grond toegewezen hadden gekregen, de deylhebbers, benoemden na overleg
meestal twee schansmeesters, die leiding gaven aan de schansgemeenschap. In
ieder reglement kwam dat voor, want in een gemeenschap waarin niet duidelijk is
wie de baas is, is onophoudelijk strijd. Andere belangrijke bepalingen uit het schansreglement,
zoals dat te lezen is bij de Elsenschans van Neer (1643): iedereen moet naar
verhouding mee betalen voor de aanleg en onderhouden van de schans, soe van wallen als graeffven. Het regelt
het voortbestaan van de schans. De twee schansmeesters zorgden voor het innen bij
de deylhebbers van de jaarlijkse
bijdragen en ze hielden toezicht. Niemand mocht niet meer betimmeren (bebouwen)
dan de hen toegewezen grond. De schansgraaf en wallen zijn erfelijk in gemeenschappelijk
gebruik (kinderen van deylhebbers
erfden het schansrecht). Aan de landheer moest men een jaarlijkse cijns betalen
voor het gebruik van de grond. Het vee dat men meebracht, mocht geen schade
aanrichten, anders kreeg de deylhebber
een boete. Het was verboden crackeel oft
eenich gevecht te maeken, vuerbrandt te maeken. Niemand mocht iemand anders
zijn getouwe, carre, waegens, eecht of
andersynts inspannen zonder toestemming van de eigenaar. Bij diefstal, in clijn oft in groet zal na overleg met
de schansgeërfden de schuldige van de schans verbannen en verjaagd worden. De
bewapening van de wacht bestond uit pijl en bogen, geweren en pieken. Van elk
gezin moest iemand om toerbeurt wacht lopen, wapens moest men zelf aanschaffen.
Tenslotte werd in het Neers reglement vermeld dat niemand voor geld bier mocht
tappen of een herberg uitbaten op de schans. Zo werd voorkomen dat uit
dronkenschap vervelende dingen ontstonden. Alle schansreglementen leken op
elkaar. Als een aantal gezinnen uit een buurtschap een schans wilde oprichten
en met het idee bij de schepenbank kwam, werden die gewezen op een bestaand
reglement en dat werd aangepast aan de lokale omstandigheden. Immers de schepenbank
gaf het reglement rechtskracht.
Waren
de schansoprichters niet bang voor kanonskogels? Nou niet echt, immers schansen
werden aangelegd in moerassig gebied waar men geen kanon naar toe kon slepen.
De rovende soldaten sjouwden echt geen zwaar kanon met zich mee. De kern van
het leger bestond in die tijd uit piekeniers: soldaten die uitgerust waren met
een piek van 4 tot 6 meter. Zij traden groepsgewijs in linies en in carré op.
Een individu had daar geen verweer tegen. Met musketten en charges van ruiters
te paard probeerde de tegenstander zo'n groep uit te dunnen. Echter een musket
woog heel zwaar, kon maar om de drie minuten vuren en alleen bij droog weer.
Zelfs een boerenschans was niet gemakkelijk in te nemen door een klein groepje
soldaten. Zeker als het verdedigd werd door geoefende mannen.
Als
de gezinnen op de schans verbleven, hadden zij hun hele hebben en houden meegenomen
tot en met het vee. Het vee bestond in die tijd uit enkele kippen, enkele
varkens en enkele koeien. Het vee achterlaten had natuurlijk geen zin. Het zou
zeker geroofd zijn. In de winter waren de schansen niet bevolkt, want
krijgshandelingen vonden er niet plaats in de winter. Men had maar enkele
koeien in die tijd. Als een koe door soldaten werd geslacht was men veelal een
groot deel van de veestapel kwijt. Dan had men ook geen mest om koren te verbouwen
en dan dreigde hongersnood.
In
1648 eindigt de Tachtigjarige Oorlog met de Vrede van Münster. Het bleef betrekkelijk
rustig tot Spaanse Successieoorlog (1702–1713). De Republiek streed tegen Frankrijk
en Spanje om het bezit van de Spaanse Nederlanden. Het Ambt Kessel en het Overkwartier
werd bij de vrede van Utrecht in 1713 toegewezen aan het koninkrijk Pruisen. Op
het einde van de 17e eeuw veranderde de wijze van oorlog voeren en de schansen
boden tegen nieuw oorlogstuig onvoldoende bescherming. Ze werden niet meer
onderhouden en vervielen of werden als landbouwgrond gebruikt.
In
Blerick zijn op twee locaties van schansen bekend, De Laerbroeckerschans onder
Hout-Blerick en de Schans bij Groot Boller. Beide vluchtschansen lagen goed
verscholen op droge plekken in moerassige gebieden en hadden een grootte van
een halve hectare of meer.
De Laerbroeckerschans
Ook
bij Hout-Blerick lag een dergelijke boerenschans. Dat blijkt uit een document
uit 1752, waarin geschreven staat: 'op de
Schansse tot Hoitblerick'. In 1642 kocht pastoor Joannes Pontanus een
vluchtplaats op de schans om aldaar een noodpastorie in te richten. Vooral in
tijden van nood en dreiging zal de bevolking naast veiligheid ook behoefte
hebben gehad aan geestelijke bijstand en godsgenade. Maar dat was het niet
alleen, de pastoor was zelf ook landbouwer en diende net als de overige boeren
bevolking eigen have en goed in veiligheid te brengen. Als de schans voor de
bedreigde bevolking te weinig ruimte bood, werd er weleens een tweede schans
tegen de bestaande aangelegd. Dat is ook in Hout-Blerick gebeurd. Uit oudere
bronnen valt af te leiden dat er twee schansen bij elkaar gelegen hebben. Er
wordt namelijk in 1642 melding gemaakt van een voorste schans en een achterste
schans. Dat beide schansen niet tegelijk werden aangelegd, wordt bevestigd in
een document uit 1767. Daarin staat vermeld 'de
nieuwe schans Laerbroeck waarts'. Hiermee hebben we tevens een aanwijzing
voor de locatie van de schans; vanuit Hout-Blerick in richting van Laerbroek. Pastoor
Pontanus schrijft in 1642:
‘Dat
selve iaer 1642 wanneer Coninx leger onder den greve van fonteijn
lagh binnen Blerick ende het Roijael fort van St. Michiel werde opgemaeckt ende
de huijslieden van Maesbleric gevlucht, woonde op de Scaerbroecker Schans,
hebbe ick fr. Joannes pastoor gecoght van de gemeijnte 4 roeijen breede op de
achterste schans te mogen betimmeren tot een vluchtplaets in tijde noot, en op
de vorste schans 15 roijen tot koolhof en kruijthof tot behoef van de pastorie
ende hebbe daer voor getelt aen Mathijs Verheijen 3o gl.'

Uit
onderzoek van verschillende schansen blijkt dat er kleine onderkomens, stukjes
grasland en moestuintjes of hofjes waren aangelegd. Ook de tekst van pastoor
Pontanus wijst daar op. Hij beoogde een groentetuin (koolhof) en kruidentuin (kruijthof)
in te richten. Na de Vrede van Utrecht (1713) was de functie als beschermde
vluchtplaats overbodig geworden. Het agrarisch landgebruik op de
schansterreinen werd in de regel nog voortgezet. Bij Hout-Blerick lijkt dat
zeker tot midden achttiende eeuw nog in de vorm van individuele hofjes
(moestuinen) gebeurd te zijn. In een document uit 1753 wordt namelijk nog
melding gemaakt van 'de Schanshoven tot Holtblerick'.
Op de oudste kadastrale kaart (1842)
is door de eigenzinnige perceelvormen het schansterrein enigszins herkenbaar.
Op de topografische kaart 1830-185o is te zien dat het schansterrein opgedeeld
is in twee graslanden die omgeven zijn door hagen. Deze tweedeling lijkt
ontstaan te zijn uit de twee schansterreinen van de voorste en achterste
schans. Op de kadastrale kaart uit diezelfde periode is het schansterrein
herkenbaar aan de eigenaardige vorm, grootte en ligging. Het schansterrein is
opgedeeld in vier afzonderlijke percelen. In 1779 duikt de naam schansdijk op.
Dijk is in dit geval geen waterkering, maar een verhoogde weg in het moerassige
laagte, die vermoedelijk diende als toegangsweg naar de vluchtschans.
Schansheide
De
Schansheide is gelegen op het stuifzandgebied ten zuiden van Hout-Blerick. Ook
deze veldnaam duidt op de mogelijke aanwezigheid van een schans.
Stuifzandgebieden met heide zijn een ongebruikelijke en onlogische plek voor
een boerenschans. Zoals hierboven vermeld lag de vluchtschans van Hout-Blerick
in het Laerbroek. Gezien dat gegeven, komt een ander type schans in aanmerking
ter verklaring van deze veldnaam, namelijk een bijenschans. Heide is een goede
nectarleverancier en bijen waren een kostbaar bezit. Bijen leverden behalve
kostbare honing ook de was voor kaarsen. Om de bijenvolken een beschutte plek
te geven en diefstal te voorkomen, werden aarden wallen in een rechthoekig
kader aangelegd. De wallen werden beplant met moeilijk doordringbaar struiken.
Hout-Blerickse veldnamen die op de bijenteelt duiden zijn Bijenberg, Bijenweide
en Bijenweideweg. In een oude bron uit 1528 komt de veldnaam Beyenberch voor. Uit de tekst valt af te
leiden dat de globale ligging ervan overeenkomt met het stuifzandgebied van de
Schansheide. Op de Tranchotkaart uit 1804 komen de namen Bijenberg en
Schansheide niet voor, maar wel de naam Elsenberg. Of de naam Schansheide
betrekking heeft op een bijenschans of een heel ander type schans, blijft vooralsnog een vraag.

De schans
De
schans bij Groot Boller staat duidelijk aangegeven op de Rivierenkaart van
1849. Hij ligt veilig tegen het langgerekte Saorbrook. Aan de westkant ligt de
Wassum en in het noorden de Bollerbeek. Het huis Boerlo is er dan al niet meer,
de ruïnes waren in 1837 gesloopt, de gracht geeft nog aan waar het ooit lag.
Schansgraaf
Om
het fort Sint Michiel liep de Schansgraaf, een verdwenen gracht om het gehele fort.
Het overtollige water mondde bij de Staay uit in de Maas. In strenge winters
werd er op geschaatst. Op 2 februari 1902 zakten twee jongens van de familie
Scherjon door het ijs en verdronken. Het Venloos Nieuwsblad meldt: ‘Een droevig ongeluk trof verleden zondag de
familie Scherjon te Blerick. Twee
zoontjes, een van 13 en een van 12 jaar, waagden zich op het ijs in de gracht
van het fort St. Michiel. Dicht bij de sluis zakten zij er door en beiden
verdronken. Een half uur later werden hunne lijken opgehaald’. De twee
zoontjes waren de oudste kinderen van het grote gezin Scherjon-Mulleman.