dinsdag 11 augustus 2026

De Witte Dame van het Gebroken Slot

Als we binnendoor over de Venloseweg (eigenlijk zou die Blerickse weg moeten heten) van Blerick naar Grubbenvorst fietsen, genieten we altijd van die idyllische weg, omzoomd met bomen. Rechts stroomt de Everlose beek en net voorbij de Slottermolen zien we aan de rechterkant op een kunstmatige heuvel de grillige restanten van het Gebroken Slot. Het is de passende benaming voor de ruïne van de oude burcht Grebben, die al eeuwenlang verwijst naar de zwaar verwoeste staat van de burcht.

Ik werd gegrepen door de geschiedenis van Grubbenvorst toen ik het overlijden op 23 oktober 1700 tegenkwam van mijn rechtstreekse voorvader Jacobus Peters. Pastoor Petrus van Neer schreef letterlijk: ‘23tia octobris (1700) Jacobus villicus in de Steegh mortuus inventus est in propria caruia ex Blerick redux’. Hij was pachter op de Steegh en werd dood aangetroffen in zijn eigen koets, op de terugweg van Blerick. En telkens als we over die mooie weg langs de Slottermolen fietsen, moet ik aan hem denken.

Steeds als ik omhoog kijk naar die treurige ruïne, moet ik ook steeds denken aan die sage van de Witte Dame. Zij schijnt ’s nachts bij volle heldere maan en grimmig jagende wind rond te dolen tussen de restanten van die oude motteburcht. In een zoektocht op internet kom je verschillende versies tegen. Ik probeer een paar historische feiten te verwerken in mijn eigen verhaal. Maar we gaan eerst terug naar de historie van de motteburcht Grebben.

De in vroeger tijden ommuurde vierkante of rechthoekige burcht bestond uit twee vleugels, een kleine binnenplaats en twee ronde hoektorens. Om overlast bij extreem hoge waterstanden tot een minimum te beperken was het kasteel gebouwd op een kunstmatig aangelegde heuvel op de westelijke oever van de Maas. Daarom is het kasteel te rangschikken onder het kasteeltype motte. De attente passant zal dat duidelijk herkennen, die dubbele bescherming tegen het hoge water en eventuele indringers. Met handkracht door de Grubbenvorster voorouders als een soort herendienst opgeworpen.
De naam Grebben wijst op een ligging nabij een holle weg. De naam Gebroken Slot zou afgeleid kunnen zijn van de aanduiding op de plattegrond voor (nooit uitgevoerde) herbouw uit 1623, waar sprake is van een 'wie man das gebrochen Schlos zu Gribben Vorst bauwen könte '

De allereerste vermelding van de burcht is in een leenaktenboek uit 1311. Willem van Millen draagt zijn huys Gribben als open huis op aan de graaf van Gelre. Hij bezat in 1308 de maastol van Grubbenvorst en Venlo. Zijn vader heette eveneens Willem en was reeds voor 1272 overleden. De burcht vererfde via zijn dochter Elisabeth aan de graven van den Bergh die het in 1386 verkochten aan Frederik van Wevelinghoven. Naderhand kwam het in 1645 aan Dirk Schenck van Nijdeggen en via vererving ging het over in de familie van Hoensbroeck. Sinds 2013 is de familie Van den Hombergh eigenaar van het Gebroken Slot en het bijbehorende landgoed.

Het kasteel werd twee maal verwoest. De eerste keer in 1511 door de Schotse troepen van Maximiliaan van Oostenrijk. De tweede keer in 1586 door de Spaanse troepen van de hertog van Parma. Sindsdien is het nooit meer herbouwd. De restanten van de twee torens werden in 1944 opgeblazen door de Duitsers, toen ze bij hun vertrek de stellingen opbliezen die ze in de motteburcht hadden opgesteld. Zoals eerder aangegeven staan nu alleen nog enkele brokstukken op de motteheuvel.

De sage van de Witte Dame van het Gebroken Slot vertelt het tragische verhaal van een ontrouwe dame, een vermoorde jonge ridder en een vloek die de dame dwingt om eeuwig als een witte gedaante rond te dwalen tussen de restanten van de ruïne.
De jonge ridder, die uit zijn land moest vluchten, vond onderdak in herberg ‘onder de Eyckelboom’ in Grubbenvorst. Al de eerste avond kreeg hij gevoelens voor Anna, de beeldschone dochter van herbergier Nylys ingen Eckelbom. Zij bracht hem zijn avondmaal en bleef even met hem praten. Haar blonde haren opgestoken, met een bescheiden wit hoofdkapje dat haar heldere blauwe ogen nog meer accentueerde. Ze raakten in gesprek en hadden duidelijk een klik. De jonge ridder besloot meteen om nog enkele dagen te blijven in de herberg. Hij raakte smoorverliefd maar wist niet dat Anna reeds verloofd was met een jonge man uit Lottum. Toch zag men hen samen regelmatig in het dorp wandelen en in de herberg zochten ze elkaar steeds op. Maar zoals dat gaat, werd er in het dorp geroddeld en ook zonder sociale media kreeg haar verloofde uit Lottum dat te horen. Hij kwam haar op ’n avond opzoeken, ze maakte samen een boottochtje en haar verloofde wilde nu wel graag weten hoe het zat. Ze peddelden samen langs de maasoever in de richting van het Gebroken Slot. Wat zij niet wisten, was dat de jonge ridder op dat moment een wandeling maakte langs de vermeende burcht van zijn verre voorouders.

In z’n gedachten mijmerend over zijn beeldschone Anna hoorde hij plotseling een zoetgevooisde stem vanuit een voorbij dobberend bootje. Het was de stem van zijn uitverkoren Anna die duidelijk hoorbaar tegen iemand zei:
Meen niet dat mijn hart aan deze vreemdeling toebehoort. Je weet dat ik slechts jou bemin’.
Het was alsof het hart van de jonge ridder brak omdat hij dacht het hart van Anna te hebben veroverd. Hij sprong naar voren en daagde haar verloofde uit voor een duel aan de voet van het Gebroken Slot. Maar de fijnzinnige jonge ridder moest het onderspit delven tegenover die krachtige boerenzoon. Hij werd door zijn rivaal neergeslagen en levensgevaarlijk verwond. Terwijl hij stierf, sprak de jonge ridder een zware vervloeking uit over het meisje. Hij vervloekte haar omdat haar bedrog zijn hart had gebroken. Nooit meer mocht zij rust vinden:
‘Wee, drievoudig wee! Gij zult geen rust meer vinden op deze aarde en ook nog na je dood zul je voor altijd aan deze ruïne gekluisterd blijven’.

De beeldschone Anna stierf drie dagen later aan hevige koorts. Vanaf die tijd moet zij ronddolen op het Gebroken Slot, jammerend om haar vermeende ontrouw. Wat er met haar verloofde gebeurde, vertelt de sage niet. Wel dat de vloek niet beperkt bleef tot het weeklagend ronddolen van de Witte Dame. Onder de inwoners ging lang het verhaal rond dat wie de Witte Dame tart, een zware prijs betaalt. Zo gaat het verhaal over een trotse boer die in de 20ste eeuw blufte dat hij wel met die witte geest zou durven dansen, waarna hij de volgende ochtend dood in zijn bed werd aangetroffen. In de Tweede Wereldoorlog wordt een Duitse tank op een vreemde manier vernield, had de Witte Dame dit op haar geweten?

Zou ook de dood van mijn rechtstreekse voorvader Jacobus Peters op die avond van 23 oktober 1700 met de Witte Dame te maken hebben? Hij werd dood aangetroffen in zijn koets, op de terugweg van Blerick bij het passeren van het Gebroken Slot.

Maar ergens moet die sage ontstaan zijn. Het begint vaak met een klein bolletje garen en geleidelijk wordt het bolletje alsmaar groter. Daarmee werden de verhalen ook steeds sterker. Er moeten ooit voorvallen hebben plaatsgevonden, die dat eerste bolletje garen hebben gevormd. Ik heb er twee gevonden. Pastoor Nicolaus Nobelmans noteerde tussen 1638 en 1674 niet alleen maar de overlijdensdatums, maar maakte er vaak een heel verhaal van. Ik heb er twee uitgepikt, misschien laten ze bij jullie ook wat garen spinnen.

Grubbenvorst 06-04-1648; anno 1648, die sexto aprilis Jacobus antehac famulus op Barsdunck nunc vero miles in fortaelicio s. Michaelis p(ro)pe Venlonae ab Hollandis interceptus, circa ripam Mosae vulgo aen dij Vollmueler Beeck globo sclopeti inter scapulas a torso transuerberatus lethaliter est, quo dicto in laco, p(re)sentibus ad huc hostilibus copijs suum pectorum c(on)fessionem coram me deposuit, & sacramentus munitus Horstiens auectus 9 aprilis in d(omi)no obdormivit hic, post vulnus inflictum p(ro)prio motu legauit pauperibus nostris 80 florenos cuius a(n)i(m)a in pace requiescat.

Op 6 april 1648 werd Jacob – voorheen in dienst van de familie Barsdunck, maar destijds soldaat in de vesting Sint-Michiel bij Venlo en door de Nederlanders onderschept – dodelijk getroffen door een musketkogel die zijn borst doorboorde, vlak bij de oever van de Maas, op de plek die algemeen bekendstaat als aan de Vollmueler Beeck (watermolen). Daar, terwijl er nog vijandelijke troepen aanwezig waren, deed hij zijn biecht bij mij; gesterkt door de sacramenten werd hij naar Horst gebracht, waar hij op 9 april in de Heer ontsliep. Na het oplopen van de verwonding schonk hij uit eigen beweging 80 gulden aan onze armen. Moge zijn ziel in vrede rusten.

Grubbenvorst 16-01-1660 anno 1660 die decimo sexto januarij obijt in d(omi)no Borchardus Kiespenninck /: vir annorum 33 :/ ex vulnere pectorale a Francisco ab Arts in Lotthum inflicto, quo accepto supervixit a meredie diei subsequenti ad horam sextam matutinam bene p(er) pastorem Lotthumensem ad mortem felicem dispositus, requiescat in pace.

Op 16 januari 1660 overleed in de Heer Borchardus Kiespenninck, een man van 33 jaar. Hij bezweek aan een borstwond die hem was toegebracht door Franciscus van Aerts uit Lottum; na het oplopen van het letsel bleef hij nog in leven van het middaguur van de voorgaande dag tot zes uur de volgende ochtend, nadat hij door de pastoor van Lottum goed was voorbereid op een zalige dood. Moge hij in vrede rusten.

Tegenwoordig is het allemaal wat vriendelijker. De Witte Dame wordt nu als hoedster en beschermvrouwe van Grubbenvorst gezien. Mijn vrouw en ik fietsen door tot aan het pleintje waar eens de herberg ‘onder de Eyckelboom’ stond. Schuin tegenover ligt nu Hotel Restaurant ‘Boutiqe’ in de Witte Dame. We zoeken een plekje aan een tafeltje tegen de witte muur. Een vriendelijk en beeldschoon meisje met blonde opgestoken haren en helder blauwe ogen vraagt:

Wat meug ut zièn’..