donderdag 5 november 2015

Ik ruik stront . . .

Soms kan ik niet slapen en lig ik na te denken. ‘Naarmate je ouder wordt ga je steeds verder terug in de tijd’, zegt Marijke wel eens tegen me. Dat zal dan wel, maar vannacht lag ik te bedenken dat de jeugd van tegenwoordig opvallend weinig buiten speelt. Wij hebben een prachtig onderhouden speelveld voor de deur, maar ik zie er bijna geen spelende kinderen. Nou, dan was dat vroeger bij ons in de Leeuwerikstraat toch anders.

imageNaast mijn ouderlijk huis in de Leeuwerikstraat 13 lag een braak liggend stuk grond, later zijn hier vier huizen op gebouwd. Tussen 1949 en 1961 was dit voor ons een ideaal speelterrein, het Liëuweriksveldje. Recht tegenover aan de andere kant van de straat lagen ook nog eens de puinhopen van twee in de oorlog gebombardeerde huizen. De overgebleven kelders, trouwens het hele totaal overwoekerde veldje vormde een niet zo veilig maar altijd uitdagend alternatief. Als ik uit school kwam had mijn moeder een boterham klaarliggen naast de onvermijdelijke‘ouwe’ kleren. Snel werden de kleren gewisseld en met de boterham op de vuist vloog ik naar buiten. Meestal was ik de eerste, maar het duurde niet lang of een groepje jongens en een enkel jongens-meisje holde toe. ‘Wat gaan we doen?’, was de geijkte eerste vraag. Er waren alternatieven genoeg, soms seizoensgebonden en soms afhankelijk van het aanwezige aantal waren we er snel uit. Waren er genoeg, of hadden we ‘die-van-de-Pepijnstraat’ uitgedaagd, dan werd er gevoetbald. De steigerplanken van aannemer Verstraelen werden gepromoveerd tot doelpalen, vier trottoirtegels vormden de hoeken van het terrein. Er waren minimale regels, niet met de hand aan de bal, drie corners ‘penaltie’, en geen vaste maar vliegende ‘kiep’. En al stond je met tien doelpunten vóór, die het laatste doelpunt maakte had gewonnen. Het ging er altijd ongenadig hard aan toe, ik kan me niet herinneren dat ik in die tijd geen blauwe plekken of niet m’n knieën kapot had. En als ik naar binnen geroepen werd was het eerste wat mijn moeder zei : ‘Maar jông, wat zie je er weer verschrikkelijk uit . . .’.

Tegen de tijd van Sintermerte werd er ‘gewieriks’ en vuurtje gestookt. Iedereen maakte een wierikspot, een leeg conservenblik waar met een grote spijker gaten waren geslagen in de bodem. Door twee tegenover elkaar liggende gaatjes in de rand werd een staaldraad gehaald en het feest kon beginnen. Als de wierikspot goed brandde werd er een aardappel in gepoft. Naarmate de winter genadeloos de dagen kortte, konden we op tijd beginnen met verstoppertje spelen. Het was immers vroeg donker, waardoor het verstoppen wat makkelijker ging. Na het avondeten mochten we nog even naar buiten, maar wel niet meer smerig maken, Dus dat werd dan ‘regenpijp verwisselen’ of ‘schipper mag ik overvaren’. Hier deden die arme meisjes, die net klaar waren met de afwas, ook mee.

Als ik terugdenk aan die periode, blijken er toch een paar gebeurtenissen scherp te zijn blijven hangen. Een enkele keer hield iedereen plotseling even stil bij het ‘pertieke voetbal’. Iemand pakte de bal resoluut op en iedereen keek richting Smeliënstraat, waar een prachtig meerstemmig gezang vandaan kwam. Aan de Smeliënstraat woonde de familie Rijs, op een gegeven moment zongen er wel zes gezinsleden bij Orpheus. Met name Ernest en Lenie kan ik me nog herinneren. Wat konden die mooi zingen. Langzaam en plechtig liepen we naar de draad die het Liëuweriksveldje scheidde van de tuin van Rijs. Die wilde voetballertjes vleiden zich in het gras en luisterden met open mondjes naar dat geweldige‘a capella-gezang’. Nooit heb ik mooier horen zingen, en natuurlijk moest ik daarna ook bij het koor. In de kerk heb ik zelfs nog solo mogen zingen samen met Piet Theeuwen, Frans Janssen en Matje van de koster. Maar lang heb ik dat niet volgehouden, te weinig talent en onstuitbare liefde voor atletiek.

Een deel van het Liëweriksveldje werd ingenomen door timmerman-aannemer Verstraelen. Heel uitdagend lag daar dat steigermateriaal, dat gele bouwzand en zo af en toe stond er zelfs een betonmolen. Vooral in vakantieperiodes konden we daar niet van af blijven. Wat wil je, als je een onderaardse keet wil bouwen! Er werd een grote kuil gegraven, wel niet dieper dan het grondwater (!!). Wachten tot Verstraelen er even niet is en dan vlug een dak maken van steigerplanken, zand erover en we zaten lekker spannend droog.

imageIn de Pepijnstraat woonde ene Toën Steegs, hij was wat ouder als ons en ook wat aparter. Hij had de ambachtsschool gedaan, vervolgens de MTS en zat toendertijd op de HTS. Later heeft hij deze opmars nog doorgezet met de TH. Dat was een echte techneut. Hij had ook van die hobbies, waar wij in de verste verten nog niet aan dachten. Zo schilderde hij ook een beetje surrealistisch, en wij moesten dan raden wat hij geschilderd had. Zo kwam hij eens trots met een doek, dik onder de zwarte verf met twee opvallende witte stippen. ‘Wat is dat’, vroeg Toën. Wij pakten het nog natte doek aan en bekeken het vanuit verschillende invalshoeken en gaven het door aan de volgende. Nadat iedereen schouderophalend nee had geschud, riep hij heel trots ‘de neger in de nacht’, en liep triomfantelijk zegevierend naar huis. Onder zijn deskundige leiding hebben we ook een keer een heuse bovengrondse keet gemaakt met dat steigermateriaal van Verstraelen. Geweldig, en het hele geval steunde in het midden op slechts één balk. Op het einde van de dag zaten we héél trots na te genieten van ons immense bouwwerk. En Toën was alweer naar huis, op weg naar zijn volgend project. Ons een beetje bezorgd achterlatend. Wat als Verstraelen dat ziet, het staat tenslotte duidelijk zichtbaar boven de grond. Ik woonde naast het Liëuwerikveldje, sterker nog, als ik uit mijn slaapkamerraam keek had ik uitzicht op onze keet. ’s Avonds hoor ik gestommel op ons veldje. Potverdomme, ik zie Toën met een touw in onze keet verdwijnen. Even later komt hij weer naar buiten en trekt wild aan dat touw. Wat een vervelende vent, wat een rotzak, die wil onze keet vernielen. Maar gelukkig lukt het niet, want hij verdwijnt weer in de keet. Na enige tijd beweegt de keet lichtjes en opeens ‘Krraaaaakkkk . . . ‘. Het hele machtige bouwwerk stort als een kaartenhuis in elkaar. Het wordt stil en een van de planken begint een beetje te wiebelen en er komt een onheilspellend geluid onder vandaan‘Godver . . potver . . potvernondedjuu’. Toën schravelt zich onder de steigerplanken vandaan, waarbij hij voorzichtig zijn geleerde en pijnlijke schedel betast.

imageEr woonde er ook eentje in de Pepijnstraat, die af en toe wel eens naar ons kwam kijken. Zomaar stom toegapen, hij wilde nooit meedoen, misschien ook wel goed. Dat was er eentje die zeker niet het buskruit had uitgevonden. Daarbij had hij ook nog een lichtelijk spraakgebrek. Op zekere dag stond hij ook weer oenig toe te kijken, toen we weer bezig waren met onze graafwerkzaamheden. We voelden ons verplicht toch maar iets tegen hem te zeggen: ‘Hallo Piet, heb je een nieuwe broek aan?’. ‘Ja, mijn moeder heeft een poepbroek voor me gemaakt’. Voor degene die het nog niet doorheeft, hij bedoelde zo’n wijde pofbroek. Ik vond dat verschrikkelijke ondingen, maar sommigen van mijn leeftijdgenoten waren er toch toe veroordeeld. ‘Een poepbroek? Je bedoelt zeker een drollenvanger’. Zo werd hij door de tegenstanders van die afgrijselijke bollige mode immers genoemd. En Piet knikte heftig, en bleef schaapachtig met zijn handen op de rug onze vorderingen volgen. ‘Heb je d’r al eens in gepoept?’, probeerde er eentje vanuit de kuil. ‘Nee, maar als het gebeurt wordt ie wel keurig opgevangen’, vervolgde de ander. Piet voelde zich ineens niet meer zo prettig, haalde zijn handen vanachter de rug vandaan en begon zenuwachtig zijn broek op te trekken. Even later: ‘Ik ruik stront . . .’, probeerde er weer eentje vanuit de kuil. ‘Ik ben het niet’, vervolgde zijn graafmaat. ‘Piet, jij hebt toch niet . . ‘. ‘Neehee’, zei Piet en voelde voor alle zekerheid aan zijn pofbroek. Na enige tijd moesten we hoognodig weer even uitrusten op onze schoppen, Piet stond nog steeds sullig naar ons te kijken. ‘Piet, je kunt me wijsmaken wat je wil, maar ik ruik duidelijk stront . . .’. Piet schudde overdreven met zijn hoofd. Maar de twee rotzakken gaven niet op: ‘als wij twee het niet zijn dan moet Piet zijn drollenvanger als wandelend schijthuis hebben gebruikt!’. Die arme Piet heeft het niet meer en kijkt tot op het bot vernederd op ons neer. Heel langzaam verdwijnt zijn rechterhand in de broek, hij spreidt een beetje zijn beentjes zodat hij er diep genoeg in kan. Nog voorzichtiger haalt hij zijn hand weer eruit en brengt die naar zijn neus. ‘Potverdommese vetzak, je hebt er echt in gescheten . . .’. Piet greep zijn te wijde pofbroek met beide handen en holde wijdbeens over het gevaarlijke terrein aan de overkant naar huis. En twee rotzakken gierend van het lachen rollend over de grond achterlatend.

‘Ooh jee, ik zie dat het inmiddels alweer twee uur is in de nacht, en ik heb mijn waar gebeurde verhalen weer aan jullie toevertrouwd. Ik ga naar bed, welterusten . . . .’

woensdag 4 november 2015

Ôzze Jack, unne biezondere mins

Jack6Ik heb in 2012 ein book geschreeve euver mien femilie, ein ‘Historiek van de familie Titulaer’. Viëftien hoofstökke euver biezondere Tietelèrs van 1275 tot 2012. Ut letste hoofstök waas gereserveerd veur eine biezondere mins oët ôzze eigen tiëd. Ut had zoëmaar kinne goan euver ‘Idol’ Boris Titulaer of euver de ‘wôndere waereld’ van Chriet Titulaer. Maar toen mien broor Jack 27 juli 2011 overleej wis ik ut metein, en nao ut laeze van zien ‘in memoriam’ zult auk geej begriëpe waorum.

Jack3‘Ôzze Jack is d’r neet miër, eine goôje mins haet ôs verlaote’. Het kaarsje brandde langzaam uit, het was op, vannacht om twintig over twaalf een laatste zucht. Je hoopt op zo’n moment dat het toch waar kan zijn. Zullen mam en pap hem al met open armen verwelkomd hebben? Alleen de gedachte dat ze weer met z’n drietjes zijn maakt je gelukkig en tilt je over het verdriet heen. Voordat we naar Frankrijk vertrokken hebben we hem nog bezocht. Hij was vrolijk en keek met ogen die ons zagen maar niet herkenden, om even later weer weg te dommelen. Een lichte streling, een hand op een vermagerde rug, een zoen vormden de overgebleven communicatie. We zaten in de Drôme ergens op een boerencamping, de mistral blies onstuimig, een SMS-je van Hans, of we even terug wilden bellen. ‘Ôzze Jack’ zeiden Marijke en ik in koor. Hij lag in comateuze toestand en het zou niet lang meer duren. Als de sodemieter terug naar huis, natuurlijk wil je eigenlijk die laatste herinnering vasthouden, maar toch willen we hem nog even zien. Stil en ontspannen lag hij daar, verschrikkelijk dat ‘ôzze Jack’ zo afscheid van het leven moet nemen. We fluisteren zacht wat lieve woorden, strelen met twee vingers zijn holle wang, een laatste kusje op zijn voorhoofd.

Herinneringen schieten door m’n hoofd. ‘Zeg ‘ns wat je denkt’, zegt Marijke. Ja, ik denk weer terug, 58 jaar geleden, aan die maandagmorgen 27 april 1953. De ooievaar was op komst, en ik moest verderop in de Leeuwerikstraat naar ‘tant Janssen’. Ik zat op de grond te spelen toen ze voor het raam stond en zei ‘daar vliegt de ooievaar bij jullie op het dak’. Uiteraard was ik net te laat bij het raam, en idem dito toen ze hem even later weer zag wegvliegen. Eindelijk mocht ik terug naar mam, en daar lag hij. Hèhè, na drie zussen had ik eindelijk een broertje, Jacky. Maar al snel bleek het een zorgenkindje, ik hoor m’n tante nog zeggen ‘hij knijpt niet in de vinger’. Jacky was een mongooltje, hij had het syndroom van Down. De gordijnen gingen dicht in huize Titulaer, mijn moeder liep wiegend op de arm met ôzze Jack door het huis, mijn vader zat met z’n hoofd in de handen.
clip_image003Maar Jacky groeide op tot een vrolijk en blij manneke. Puurder en eerlijker kan een mens niet zijn. Feilloos aanvoelen wie hem open en sympathiek benaderen. En even feilloos in woord en gebaar de confrontatie aangaan naar de minder sympathieken en de arroganten onder ons. Elk meisje kreeg van Jack een vette knipoog. In gezelschap zei hij niet veel, maar wist steeds een plekje te veroveren naast het mooiste meisje. Een arm om haar heen of een lekkere knuffel volgden ‘als het klikte’. Muziek was zijn leven, BZN zijn passie en drummen zijn uitlaatklep. Soms haatte ik dat verschrikkelijke lawaai, maar met de jaren werden drumstel en Jack een beter ingespeeld stel. En hij presteerde het om wel eens de plek te veroveren van een drummer in een echte band. Kaarsrecht en serieus sloeg hij op de trom en roerde de deksels in zijn geheel eigen en unieke ritme. Compleet anders dan die echte drummer, maar zeker niet storend in het geheel.
Jack had een wonderbaarlijk geheugen. Vragen over acteurs in welke soap dan ook, artiesten op welke plaat of welk genre dan ook, Jack frommelde wat met zijn lippen, trok zijn beide sokken nog verder omhoog en haalde het correcte antwoord uit zijn geheugen. Hij kon niet lezen maar bestudeerde elke week de TV-gids en kende die dan voor de rest van de week uit z’n hoofd. Na Nieuwjaar en het verschijnen van de nieuwe kalender werden alle verjaardagen van de hele familie opgeslagen met de correcte dag van de week erbij. Mijn vader vergoelijkte dat wel eens met ‘hij hoeft ook verder niks anders te onthouden’, maar ik bleef dat knap vinden.

IMG_3852 - JackOverdag hing hij meestal uit het raam aan de Leeuwerikstraat. Stoel voor het raam met de rugleuning naar de muur, kussen erop en Jack kon zijn geliefde positie innemen. Jack kende iedereen in de straat en iedere voorbijganger werd begroet met ‘hôj . . . ‘. Sommigen stopten voor een praatje, vrouw Maat stak de straat over voor een koekje, de meesten antwoordden met ‘hôj Jack . . .’, en een enkeling zei niets. Die werd dan door Jack nageroepen met ‘haej eigewieze . . .’, en werd vervolgens definitief verwijderd uit Jack zijn favorieten. Jack was recht voor de raap. Toen de dikke van Wilbers ‘van de krant’ zijn visvergunning bij ons kwam ophalen, staarde Jack hem enige tijd onafgebroken aan. Plotseling zei hij ‘Diekkop . . .’ tegen Wilbers. Mijn vader haastte zich om zich mede namens zijn zoon te verontschuldigen. Maar Wilbers moest er hartelijk om schaterlachen en zei ‘. . . . dich meugs det zegge jông’.

’s Avonds moesten we hem om beurten naar bed brengen. Je lag dan naast hem te wachten tot Jack eindelijk wilde gaan slapen, heel voorzichtig schoof je dan naar de rand van het bed, langzaam één been op de grond. En potverdomme, op dat moment sloeg hij z’n armpje om je heen ‘aah Jan, woa geis se haer?’. Soms duurde het zo lang dat je zelf in slaap viel en ôs mam je wakker kwam maken ‘kôm maar, hae sluûp’. Jack was ontzettend gemakzuchtig, sommigen noemden hem lui en weer anderen vonden hem toch wel verwend. Hij snapte er niks van dat ik hield van hardlopen, hij kon er zelfs niet naar kijken en heeft nooit begrepen hoe ik een hele dag naar Groningen kon reizen om over 10 hordes te gaan rennen. Mijn vader deelde dat overigens met hem, en dat was niet het enige wat die twee samen deelden. Hij zal misschien tien jaar zijn geweest toen hij samen met m’n vader zijn eerste pijp zat te roken, mijn moeder vond het maar niks, maar mijn vader zei ‘ôch laot dae jong toch’.
Toen pap en mam er niet meer waren, bleef Jack in het ouderlijk huis wonen. En zoals hij dat zo smakelijk kon vertellen ‘trokken Tina en Joep bij hem in’. De laatste 16 jaar woonde hij bij m’n oudste zus en zwager. Geheel bij Jack passend noemde hij ze ‘mam twiëje’ en ‘pap twiëje’. Welk groter compliment kun je in zo’n situatie krijgen?
Nu is Jack er ook niet meer, en de herinneringen blijven door m’n hoofd schieten. Maar ik laat het hier bij, sommige dingen kun je niet delen. Het was een fijn mens, hij hield ons een eerlijke spiegel voor hoe je je sociaal had te gedragen, hij kon je met een scherpe opmerking op je plek zetten. Met zijn opgewektheid vaak een onmiskenbaar middelpunt. Problemen werden introvert met een persoonlijk vraag- en antwoordspel uitgediscussieerd op het toilet. Zo kun je ook volop genieten van het leven, en was hij toch maar stiekem één van de weinige Nederlandse mannen met een lieve Turkse vriendin.

Op de dag van zijn crematie staken we ons keurig in het pak, want dat hoort bij het afscheid van ôzze Jack. Niet voor de buitenwacht, zeker niet voor ‘wat-de-mensen-er-van-zeggen’, maar gewoon voor Jack. Een extra schone zakdoek verdween in de gladgestreken broek, je weet maar nooit. In de afgelopen dagen hebben we ons zelf ervan overtuigd dat het zo goed is, hij was op, hij heeft nu z’n rust, hij is bij pap en mam.

Uiteraard waren wij weer de eersten, in de familiekamer zitten we zwijgend naast elkaar en kijken wezenloos naar een kikkertje in de vijver voor het raam. De familie komt binnen, handen schudden, een lange zwijgende stilte, alleen het kikkertje zorgt alweer voor enige afleiding. Onder de muziek van ‘El condor pasa’ lopen we de aula binnen, zonder om te kijken horen we dat de zaal zich vult. Een schielingse nieuwsgierige blik verraadt dat er ook mensen achter tegen de muur moeten staan. Ze hadden allemaal een bijzondere band met ôzze Jack. Een foto met een glimlachende Jack en zijn trom markeren de kist, die voor de rest omzoomd is met een zee van witte rozen.

Het wordt een bijzonder afscheid van ôzze Jack, mien breurke. Een bijzonder mens, een ‘mongooltje’. Direct achter ons zitten zijn vrienden en vriendinnen van het dagverblijf, ook allemaal even bijzonder. Op een groot scherm boven de kist verschijnen foto’s uit het toch wel vrolijke en welbestede leven van ôzze Jack. Een spreker leest voor wat hem de afgelopen week over het leven van ôzze Jack is verteld. Zijn begeleidster vertelt indrukwekkend hoe bijzonder het dagverblijf ruim 40 jaar van ôzze Jack heeft genoten. Zij besluit met persoonlijke citaten van zijn vrienden en vriendinnen. Elke naam en elk citaat wordt begeleid door een even persoonlijke snik, een luide roep of een huilbui. De zaal is ademloos, en ik betrap me erop dat ik veel te hard in mijn schone zakdoek zit te knijpen. Zijn nichtje Ruuth, eigenlijk de dochter van Jacks neef, vertelt met liefde en te ingehouden emotie wat Jack voor haar heeft betekent. Als ze zich richt tot de kist blijkt het ware verdriet om het verlies van haar Jack.

Zijn muziek, die van zijn eigen BZN, zorgt voor de hoognodige onderbrekingen. Goedgekozen momenten om emotioneel even tot rust te komen. Het is zover, we moeten definitief afscheid nemen van de tastbare Jack, alles wat nu nog rest zijn mooie herinneringen hoor ik de spreker zeggen. Iedereen loopt langs de kist, iedereen krijgt de kans om persoonlijk afscheid te nemen. Een bijzonder mens treedt resoluut naar voren. In keurig T-shirt en keurige korte broek, speciaal voor het afscheid van zijn Jack. Hij is bijzonder groot, en zijn te lange armen en slungelige benen maken hem nog meer bijzonder.Jack1 In zijn zeker niet verfijnde opengevouwen handen houdt hij teder en liefdevol een rode roos. Hij loopt vastbesloten op de kist af, remt kordaat en zijn armen en benen komen wat later tot stilstand dan zijn bovenlichaam. Zij deinen en slingeren nog even na, heel bijzonder, iedereen kijkt. Hij gaat strak in de houding staan. En héél langzaam buigt hij voorover, zijn armen strekken zich tergend langzaam boven de kist. De rode roos lijkt wel te zweven boven zijn prachtige handen. En plechtstatig langzaam laat hij zijn rode roos neerdalen op die witte rozenzee van zijn Jack. Hij recht zijn mooie liefdevolle lijf en beent met slingerpassen weg. De zaal breekt, en alweer betrap ik mezelf potdomme. Mijn schone zakdoek opengevouwen in mijn handen vangen de tranen op, die over mijn wangen biggelen.

Wat een bijzondere vent, wat een emotioneel afscheid. Daarom noem ik ze nou bijzondere mensen, en daarom was ôzze Jack ook zo’n bijzondere broer.

Luycks

PlatLTussen de Verbindingstraat en de Ottostraat lag vóór 1957 de inleggerij van Luycks. Vanaf de Nieuwborgstraat lag op nummer 5 eerst een langwerpige lage witte fabriekshal, dat was de Firma van de Vinne, metaalbewerking, vernikkelen en verchromen. Daarnaast op nummer 7 lag Luycks met aan de kant van de Nieuwborgstraat een grote opslagplaats voor vaten en kratten. Dan kreeg je op Ottostraat 9 de gezusters Brands, grossiers in chocolade, biscuits en suikerwerken. En dan kwam de Mariaschool. Ik kan het me nog goed herinneren als ik met mijn vader vóór op de fiets mee mocht naar de Wassum. Als ik daar aan terug denk weet ik zelfs nog hoe het rook. Op de Nieuwborgstraat passeerden we eerst aan de linkerkant achter de van Stockemstraat de verffabriek van Vossen, waar je de oplosmiddelen goed van rook. Het irriteerde je neus. Meteen daarna rechts aan de overkant ging dat over in die zurige lucht van de ‘luikskes en kumkummerkes’ van Luycks. Dat rook wel lekker, het water liep me altijd in de mond. Weer heel anders dan die ijzerlucht van de fabriek van de gebroeders Holthuis, die schuin tegenover lag. Een stukje verder sloegen we linksaf de St.Jozefstraat in, langs het fabriekje van Blanken en we fietsten Blerick alweer uit. Mijn vader moest even stevig op de pedalen, want een stukje verder ging het bergop. Niets valt er meer te herkennen, in 1957 werd de fabriek van Luycks gesloten. De Venlose Krant schreef 19 juli 1957: ‘De conservenfabriek en de inleggerij van de firma J.A. Luycks te Blerick wordt opgeheven en naar Amsterdam verplaatst. Het vrijgekomen terrein wordt voor wegenaanleg gebruikt.’  De Directie spreekt dit tegen in de IJmuider Courant van 23 juli 1957: ‘de inleggerij te Blerick wordt na de oogstcampagne in haar geheel verplaatst naar het nieuwe pand in Diemen’. Er was volgens hen geen sprake van opheffing. Het Utrechts Nieuwsblad vermeldt dat het fabriekje een vaste personeelskern had van 20 man, maar in het seizoen kwamen daar nog eens zo’n 150 man (en vrouw) bij. Foto2 Eigenaar was Jan Adriaan Luycks (1875-1951), hij begon in 1898 als importeur en verkoper van mosterd en werd in 1905 zelf producent. Hieronder zijn verdere carrière. JALuycks In 1957 verhuisde de hele activiteit van Amsterdam naar Diemen. Veel geluk had de familie Luycks niet met die verhuizing naar Diemen. In de ochtend van 18 januari 1963 brak een brand uit in de fabriek in Diemen. Het blussen van de brand werd bemoeilijkt door de extreme kou op die dag. Het was de koudste winter in Nederland van de 20e eeuw en de dag is de geschiedenis ingegaan als de datum van de zwaarste Elfstedentocht. Deze dag was een van de koudste dagen in deze winter, er werden temperaturen van -20° C gemeten en het scheepvaartverkeer op de grote rivieren werd geheel gestopt. De vrijwillige brandweerlieden van Diemen en de brandweer van Amsterdam moesten het ijs op de nabijgelegen Weesper-trekvaart open hakken om aan bluswater te komen. Het gespoten water bevroor echter onmiddellijk, terwijl de grote hoeveelheden aanwezige slaolie de brand aanwakkerden. De fabriek brandde dan ook geheel af en het duurde drie dagen voor de brand werd bedwongen. Er werkten toen ongeveer 350 mensen in het bedrijf. In januari 1964 werd een nieuwe fabriek in gebruik genomen. Ernaast stond een bord met de tekst ‘Hier haalt Abraham de mosterd’. In 1974 verkocht de familie Luycks het bedrijf aan Nutricia. Blerick verloor in 1957 voor zo’n 20 mensen vast werk en 150 seizoenwerkers konden in de komkommertijd hun bijbaantje vergeten. Momenteel ligt er een subkampje, en de Alberickstraat en Gosewijnstraat lopen nu dwars over de voormalige inleggerij van Luycks. Blerick hoeft zeker geen monument te betreuren, maar de herinnering aan de ‘zore luikskes en kumkummerkes’ is gebleven. Foto1








dinsdag 3 november 2015

Een zomerdag aan de Wassum

imageVandaag gaan we terug naar de vijftiger jaren. We hebben grote zomervakantie en ontzettende mazzel met het weer dit jaar. Het is al dagen bloedheet, dat betekent elke dag buiten spelen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Lekker naast de deur, wat kuilen graven liefst tot aan het grondwater. Het blijkt zelfs aangenaam zo’n anderhalve meter onder de grond. Elke dag een nieuwe kuil, het Leeuweriksveldje lijkt wel één gigantische gatenkaas. Af en toe vlug naar huis voor een boterham of een glaasje aanleng. En dat was nog van die echte aanleng, de sinaasappelvelletjes dansten speels in het glas. De mond afvegen met een zand-hand en vlug weer ondergronds. We wilden zelfs mijnwerker worden in die tijd, wisten wij toen beter. De mijnen in Zuid-Limburg draaiden nog volop. Sterker nog, er woonden een paar van die zwartwerkers in Blerick. We zagen ze wel eens vertrekken, in die donkere kleren, dichtgeknoopte ruitjes handdoek nonchalant over de schouder.

Vanmorgen was het weer strakblauwe hemel, de zon broeit al vroeg op mijn korenblonde haren. Maar er is niemand om mee te spelen, en helemaal alleen in die kuil? Dat stelt niks voor. Spelen is een sociaal gebeuren en al snel voel ik me als een roze zuster van Steyl. Mijn moeder had net gisteravond zitten vertellen dat die nooit buiten mogen komen. Ze zitten hun hele leven achter tralies, geen bezoek, geen vriendjes. En die doen ook nog aan 24 uurs aanbidding. Nou ja, dat klinkt erg overdreven vroom. Het rijke Roomse leven bezorgt me de rillingen over de rug. Alleen in die kuil is natuurlijk niet te vergelijken met alleen in een kloostercel. Maar toch, dan maar weer naar huis:

  • ‘Mam, er is buiten niemand om te spelen’.
  • ‘Ja, wat wil je? De mensen hebben vakantie, waarom vraag je Johan niet’.
  • ‘Ben ik al geweest, die zijn ook niet thuis’.
  • ‘Piet, kun jij die jongen niet meenemen vissen? Smeer ik wel wat extra boterhammen’.
  • ‘Maar zeker, Tuut, zeg maar tegen ‘m dat we naar de Wassum gaan’.

Dat was niet aan dovemans-oren. Dat hoefde mijn moeder niet te herhalen. Een knipoog volstond, de schop verdween linea recta met zand en al in de schuur. De ouwe schoenen werden uitgetrapt naast de buitendeur, en de smerige sokken in de laarzen geperst.

  • ‘Ik ben klaar!’.
  • ‘Ja, jij wel, maar je vader nog niet. En je wil toch ook wat boterhammen mee hebben?’.
  • ‘Mag het kolenzeef ook mee om visjes te vangen?’.
  • ‘Als je het niet kapot maakt en schoon mee terug brengt’.

Wachten duurt niet alleen voor 10-jarige jongens een eeuwigheid, maar eindelijk was het zover. Bij mijn vader voor op de stang en op weg naar de Wassum. Bij ons de straat uit, linksaf langs het spoor en achter de overweg links het veld in. Al gauw zo’n pijnlijk slingerweggetje in. De gaten in de weg pijnigen mijn billen maar ik zeg niks. Vandaag hoor je mij niet meer klagen. Daarginds tussen de struiken en bomen verscholen ligt de Wassum. De visvijver van hengelsportvereniging De Goede Hoop. Mijn vader was penningmeester van die club, en in het voorjaar kwamen de ‘hengelaars’ allemaal bij ons thuis de visvergunning afhalen. Dat gebeurde bij ons in de zondagse voorkamer, en dat was altijd een gezellige boel. Onder het genot van verse koffie werden zaken gedaan en sterke verhalen van langs de waterkant verteld. Daar leerde ik heel goed wat visserslatijn betekent. Ik zie ze nog zo voor me: de lange van Verheyen, Pitje Sonnemans, Baer Schoenmakers, Jac Kerstiëns, de dikke van Wilbers, Toon van de Ven, Handrie Fortrie, van Ommeren etc.etc...

image‘Het laatste stuk moeten we lopen’, zei mijn vader. Dat was ook precies op tijd, want we lagen al bijna samen in het gras. ‘Hahahaha, daar hadden we geluk’, niks leukers als samen met je vader hartelijk lachen als mannen onder elkaar. We kwamen bij het zwarte ‘ge-pappen-dekte’ schuurtje van de visclub. De fiets werd er tegen gezet, tassen en vishengels eraf gehaald en ik sjokte met mijn kolenzeef achter mijn vader aan. Hij had zijn eigen stekje aan de Wassum, zo’n vijftig meter van het keetje, een smal zompig paadje door, lekker de zon in de rug en compleet verscholen tussen het riet. Ik ging op ’n paar meter afstand in het gras zitten. Mijn vader klapte het visstoeltje uit, de ene tas links en de andere rechts daarvan. Hij ging zitten en de vishengel werd uitgeschoven. Uit een houten sigarenkistje koos hij een vislijn en bevestigde die met een ventielslangetje aan de top van de vishengel. Vervolgens ging een emmertje open in de andere tas en een paar bollen visvoer werden keurig ‘plonss . . . ploepp . . .’ in de Wassum gemikt, precies op de plek waar straks de dobber zou komen te liggen. Hij boog zich voorover naar het water en waste zijn handen. Heel voorzichtig werd een klein bolletje deeg bevestigd aan het haakje. De lange hengel opgepakt en in de lucht gestoken en ‘zoeff . . ‘, haakje met deegbolletje verdwenen onder water, de dobber huppelde van blijdschap even na. Een Willem II-sigaar kwam uit het blikken Willem II-doosje en het eerste rooksignaal werd begeleid met ‘en nu maar hopen dat ze ook willen bijten’. Nou daar wilde ik echt niet op wachten, want verderop verbond een klein beekje de Wassum met de Everlosche beek. ‘Pap, ik ga stekelbaarsjes vangen’, en verdween tussen de struiken. ‘Voorzichtig hè, en af en toe komen melden’.

imageHet beekje liep dwars door een wei richting spoorlijn, en was compleet onzichtbaar tussen het riet en onkruid. Maar niet voor mij. Ik kies een plekje uit en ga wijdbeens over het beekje staan. Ik schrik me wezenloos als een nietsvermoedende eend ‘kwèek kwèek’ opfladdert. Met het kolenzeef plet ik het riet en onkruid naar links en naar rechts en ik ontwaar een helder stroompje. Nu even wachten en dan voorzichtig, maar wel zo diep mogelijk, scheppen met het kolenzeef. En ja hoor, het eerste stekelbaarsje ligt te spartelen tussen het groene plakkerige kroos. En zo gaat dat even door. Een enkele salamander, een bloedzuiger en meerdere stekelbaarsjes verder begint ook dat weer te vervelen. De zon brandt intussen op mijn ruggetje. Als ik een stekelbaarsje meen te herkennen van een eerdere haal in het beekje en mijn beenspiertjes gaan trekken aan de achterkant van dat wijdbeens boven het beekje hangen, heb ik het wel gehad. Ik sta op en zie in de verte dat een boerengezin bezig is met de korenoogst. Lijkt me ook wel gezellig. Het kolenzeef wordt bij mijn vader achtergelaten. ‘Hierachter zijn ze koren aan het maaien, pap, ik ga even kijken’. ‘Dat is goed, maar val die mensen niet lastig hoor’.

imageZe zijn met z’n vijven en werken onophoudelijk door. De boer maait met machtige halen het koren en haalt het af en toe met zo’n prikker naar zich toe. Twee oudere vrouwen grijpen druk met elkaar kletsend een bundel op. Die wordt met één arm vastgeklemd en met de andere hand draaien ze een paar stengels om die bundel. En met een handige beweging, zoals alleen vrouwen dat kunnen, ontstaat de ene na de andere prachtige korenschoof. Twee oudere jongens bouwen mooie hutjes door zo’n zes schoven tegen elkaar te zetten. Een paard voor een grote platte kar staat verveeld het gras langs het pad op te vreten. Dat is allemaal toch wel verdomde interessant, en ik loop naar de boer. ‘Hallo’, begin ik hoopvol. Maar zoals het boeren betaamt, zegt hij niks terug. Met elke kleine stap voorwaarts haalt hij met een machtige haal die zeis vlak boven de grond door het koren. Hij kijkt me aan, haalt een lange slijpsteen uit zijn gigantische broekzak en haalt die al even ritmisch langs beide kanten van de zeis. Daarna spuugt hij in zijn handen, grijpt de zeis, draait zich om, en vervolgt stapje-voor-stapje zijn onverstoorbare maaitocht. De strohalmen vallen feilloos de zelfde kant op. De twee vrouwen blijken wat meer spraakzaam: ‘Hallo witte, waar ben jij d’r eentje van?’, vraagt de een. ‘Van Titulaer, mijn vader zit te vissen daar bij de Wassum’. De twee jongens hebben het ’t makkelijkst, ze kunnen de twee vrouwen makkelijk bijhouden. Maar alleen al die blik van die twee in mijn richting voorspellen weinig vriendelijke aanknopingspunten. Dus dat laten we maar zitten. Heel gewaagd benader ik zo’n hutje van korenschoven, buiten het gezichtsveld van de vijf. Het lijkt wel wat op die hutjes in Afrika, van die plaatjes die ik wel eens op school heb gezien. Zou ik erin kunnen zitten? De boer hij maaide voort en de twee koppels volgen hem gedwee buiten mijn gezichtsveld, dus? Ik waag het erop en ga zitten tussen twee korenschoven. ‘Auwww’, die rotstoppels prikken venijnig door mijn broek. Maar ja, voorzichtig schuif ik naar achteren, hoofd gebogen met de kin op de borst. Na een paar keer schuiven zit ik er middenin en durf ik weer omhoog te kijken. Heel fijn stof dwarrelt op mijn gezicht, en de strohalmen prikken overal waar ze maar kunnen komen. En het ruikt er zó lekker, maar ik weet eigenlijk niet precies waarnaar. Een beetje naar zoetig brood, een beetje naar droog gras, een beetje naar havermoutpap. Het ruikt naar zomer . . . . , ja, dat is ‘t. Zo zit ik daar enige tijd gelukkig te wezen in mijn eigen hutje, terwijl de jeuk op mijn kop alleen maar toeneemt en de prikkende halmen aanhoudend blijven irriteren.

Als ik ‘n tijdje later weer terugkom bij mijn vader vraagt ie: ‘Waar was jij zo lang, heb je geen honger of dorst?’. En reikt me zonder het antwoord af te wachten een papieren zakje met brood aan en een Exota-fles met eigen-aanleng. In ijltempo wordt dat allemaal verorberd en naar binnen gekloekt. ‘Pap, gaan we naar huis?’. ‘Zo meteen gaan we naar mam, loop nog maar effe wat rond’. Ik besluit nog wat langs de Wassum te struinen. Eerst terug naar het keetje en dan rechtsaf. Een stukje verder de steilwand omhoog. In de verte zie ik het witte Sint-Jozef-kapelke. Aan de overkant van het water zie ik mijn vader zwaaien, ten teken dat we naar huis gaan. En de dag eindigt zoals hij vanmorgen begon. Als ik ’s avonds na een stevige wasbeurt nog even op de bank tegen mijn moeder aankruip, denk ik terug die voorbije zomerdag. Hij begon wat verveeld, er was niemand om met me te spelen. Eigenlijk veranderde dat niet, ik moest het een beetje allemaal maar zelf uitzoeken. Ik voel me een beetje trots, en haal nog eens diep adem door mijn neus. En verdomd, ik ruik weer die korenschoven, wat was dat fijn.

Bijna 60 jaar later herinner ik me deze dag nog steeds. Toen we gisteren wandelden langs een rijp korenveld, kon ik me even niet bedwingen. Ik plukte twee halmen en wreef die zorgvuldig tussen mijn handen. Ik sloot mijn ogen en nam de geur in me op. En even was ik weer bij de Wassum, even zat ik weer in dat hutje van korenschoven, heerlijk.

maandag 2 november 2015

Kloosterstraat in Blerick, 125 jaar geleden

imageBestevader (Wiel Aerts) schreef in 1951 een column in ‘Ons blad’, het kerkblaadje van Blerick, Hout-Blerick en de Boekend met de titel: ‘De Kloeësterstraot vur sestig jaor truuk’. Overigens zijn veel van deze verhalen in 1997 gebundeld in een prachtig boek ‘Oèt d’n alden tièd’. In alle bescheidenheid en met respect voor Bestevader heb ik zijn mooie tekst aangevuld met foto’s en wat meer (genealogische) detailinformatie, zie hiervoor de verwijzingen. We krijgen zo een (nog) completer beeld hoe de Kloosterstraat (Koestraot) er 125 jaar geleden uitzag en wie er woonden. Maar we laten eerst Bestevader aan het woord:

'n Ald Blièricks tiep, Lueës Nöl, zag ens wie hae in de mesjienefebriek en ièzergeterie van Hille in de Baovestraot kwaam en al det werke en die drökte zoog: ‘Maar! Maar! Wet det heej raspelt en spint; wet det heej aan baord geit.’ As hae det druk gedoons d'n aafgeloupe zoómer in ós Kloeësterstraot hei gezeen, zuuj hae det ouk gezag höbbe. Die niej riolering legge, die door de vergruuëting van Blièrick nuuëdig waas, umdet die alde toch al te ing en verslete waas, die graafmesjiene die de grónk verwerkde, det gehei met die baddings vur de kank van die depe graaf aaf te damme vur die geweldige buùze in te legge, det goof enne mingelmoos van werkvolk en materiaal, zank en stein en gate det me good mós oètkièke det me neet de bein brook, en dao hóng met det werm waer 'n lóchje oèt die kepodde gaas- en rioleringsbuùze det me mei de naas toe mós halde. Maar, zult ge zegge, wae waas Lueës Nöl? Ein van ós veurvadere? Nae, want 't waas ennen alde jónggezel (vreejgezel). Eine van die woeë van Sleevenhièr haet gezag: ‘Zalig de armen van geest, enz. . .’. Enne geweldige groeëte kaerel dae zien laeve lank has aan zien moder eur hendje hei geloupe en wie hae allein op de werreld stóng de kos neet kós verdeene en in 't ermehuuske is gestorve. Maar noow nag de Kloèsterstraot, 't grótste leid is geleeje, 't begint op te schete, nag 'n gedeilte van 't waegdek legge en 'n fónkelnieje straot is d'r wir klaor en as die noow nag vól nieje winkelhuùs lik wie ze mei zegge - maar det zal nog wal wet deure. As me zich noow nag die alde Koestraot veurstelt. Laot ós det ens naogaon oèt miene schoeëltièd. Van de alde bewoeëners van de straot woeëne d'r nag twieë, namelik Louis Hille en de witvrouw (weduwe) Jean Nabbe.

1SAM_2Góng me van de Mert op de Pool aan, kreeg me links ièrs 't hoès van Sanger Hille [zie A], de enige manufacturezaak van Blièrick, woeëvan Louis Hille nag euver is. Den Kerpen Drees, veróngelök beej d'n brank beej Schoure. Nao zienen doeëd bleef d'n insigste zoon Sjang [zie B] met 'n paar alde vrouwkes euver, is later nao de stad getrokke en dao gestorve. As jónggezel, umdet hae te bang waas, wie ze zagte, um 'n maedje te vraoge. Den 't huuske van Thisse ein van de ièrste Blièrickse gerdeneers, enne Venlose van gebaorte. Den Frings [zie C] de koperslaeger. Det hoès steit d'r nag en is bewoeënd door Klaasse de leiendekker. Frings en zien vrouw Kerlien ware ouk Venlose, ze heie niks as 'n pleegdochter, Mina. Volges tante Kerlien 't veurbeeld en 't bleumke van de parochie. Den 'n aope terrein en den 'n groeëte boerderie met stel, scheure en magezièn van Carleij's Thies (Gröbbe) [zie D], boer en gemeinte-óntvenger en hangelaer in guano (kunsmis) en kaole. Van zien groeëte femièlie is, geluif ik, nemus mièr in Blièrick. Den Hermans Koeëbus [zie E], ièrs werkzaam in de febriek van Hille, later lantaeropstaeker en gemeinte-werkman en op hoeëge laeftièd in Blièrick gestorve nao ièrs met zien vrouw en groeëte femièlie golde broèlof geveerd te hëbbe. Zien groeëte femièlie is noow nag euver hièl Blièrick verspreid. Den de femièlie Heithuze [zie F], bekind um zien jonges met eur linkse bein. Den Levrinse Kuuëb [zie G], boer, gerdeneer en voorman, ouk hièl ald gewore en golde broèlof geveerd. Dao woeëne nag vuuël femièlies van in Blièrick. Den de smeed Pinge [zie H], 1SAM_6489enne echte grapjas, noow de Grot van Calypso (nummer 37) met zes jónges met zoeëwet Chinese name Jong en Jen en Jung en dreej nette maedjes. Die femièlie is zoeëwet gans geëmigreerd nao Amerika. En de letste aan dae kank de femièlie Goofers [zie I], bekker, mulder en jaeger. Dao leepe vruujer altièd 'n paar groeëte jachhung ronk. Hae deej vuuël jage met Clercx. Zien vrouw Mieke Tant haet nag lang in det hoès gewoeënd det d'r nag gedeiltelik steit, maar noow onbewoeënbaar is en aafgebroke zal waere. Den leep me taege de Pool aan woeë op 'n pómp stóng en 'n bleik (graasveld um de was te druuëge) waas vur ederein. Góng me wir truuk nao de Mert, den loog op d'n hook 'n klein huuske van Schöppen Driekske, later nao de begiène gegaon en dao gestorve. Den kreeg me 'n stök wei, Carleij's Bóngerd, met 'n groeëte alde hek naeve de straot. Naeve die hek 'n lieëgte, zo'n saort graaf woeë 't water in verzónk en me peere (wörm) kós vange um te visse. Den de huuskes van Peskes [zie J], de mangemaeker, later snièder Bernaards, Peskes ziene schoeënzoon. Peskes hei 'n groeëte femièlie, vuuël jonges die bekind ware as zengers, ouk meis oèt Blièrick vertrokke en den de kuùper Nelisse. Den leep d'r ennen aerdwaeg (1e Graaf van Loonstraot) met 'n bietje sintels op nao de stasie toe en den op d'n hook Schoures Jan [zie K] zien boerderieke, wet d'r noow (nummer 38) nag steit en beej 't kloeëster huùrt. 1SAM_Juliana1910Den 't hoès van Van Elswijck [zie L], ennen tummerman, beroemd um de döp die hae makde. Dao koch me vur dreej cent ennen dop, enne zoeëgeneumde ‘elswieker'. Dao kós nemus aan kómme tippe. Den de schoester Veugelers [zie M], beejgenaamd 'de Köls’ en d'n alde Gièrards beejgenaamd 'de Vièffrankskop', ennen alde renteneer. Dao gónge we altièd plante koupe, die hae trok in d'n haof achter zien hoès. Den Gelaudemans [zie N], krieëmer en winkeleer, later brökwachter, klein van pesteur maar kaerig (pittig). Zien winkelke met zien lekker brök en 'n groeët stök johannesbroeëd vur enne cent stóng beej de jeug good bekind. Den hei me nag de huùs van de femièlie Linskes en Mente, ens de elite van Blièrick, maar of d'r nag wet van euver is? Det zal neet vuuël zien. Sic transit! En den 't letste hoès wet d'r nag steit, die ruïne kinne we has zegge, waas 't hoès met brouwerie, ièrs van De Rijk [zie O], later van menièr Vogels (nummer 2, maar den wet veuroèt). Det hoès met ziene groeëte lingdeboum waas ens op zon- en fieësdaag de verzamelplaats van de gemeinte. Dao stoeide en speulde ens de Blièrickse jeug en loesterde de aldere nao 't niejs en de verkuip die de veldwachter nao de hoeëgmis van 't balkón van 't raodhoès aan 't volk veurloos. Daonao verspreidde zich 't mansvolk um in de herberge in d'n umtrek van de Mert beej 'n dröpke of 'n schöpke beer det niejs te bespraeke. Die huùs van de femièlies Linskes en Mente staon d'r ouk nag gedeiltelik. In die straot is dus in 'n gooj halve ieuw hièl wet gebeurd en hièl wet verangerd. Dao kós me wal has 'n book euver schriève, maar we zulle 't heej maar beej laote. We haope maar det in de toekóms alle verangeringe in de gooje richting zulle gaon toet heil van 't alde Blièrick in zien niej moeëj pekske.

1SAM_0A - Louis (Lodewijk Hubertus) Hillen werd op 25 augustus 1869 in Blerick geboren, zoon van Alexander (Sanger) Hillen en Maria Berdina Verschueren. Hij was importeur van pijpen en groothandelaar in rokersbenodigdheden. Daarnaast had hij een assurantiekantoor en was hij eigenaar van een steenoven aan de Tangkoel in Hout-Blerick. Hillen was een zeer invloedrijk man in Blerick. In de jaren twintig en dertig zat hij in de gemeenteraad van Maasbree. Vanaf 1930 was hij bovendien enige jaren wethouder. Ook was hij bestuurslid van diverse kerkelijke instellingen. Louis Hillen overleed op 19 oktober 1952, hij was ongehuwd.

B – Sjang (Joannes Hubert) Kerp (1866 Blerick-1941 Venlo), vrijgezelle zoon van Andries Kerp (1824 Blerick-1891 Blerick) en Joanna Smets (1824 Blerick-1884 Blerick). Kerpen Drees overleed 27 mei 1891 bij een brand.

C - Hendrik Frings (1829 Venlo-1908 Blerick), koperslager; was tweemaal getrouwd, (1) 1858 Sevenum met herbergierster Helena van den Homberg (1815 Straelen-1888 Blerick), (2) 1889 Venlo met herbergierster Cornelia Hubertina Carolina Beijen (1836 Venlo-1914 Blerick). Uit beide huwelijken geen kinderen, wel een pleegdochter Mina.

D – Mathijs Grubben (1835 Blerick-1915 Blerick), gemeente-ontvanger, zoon van Jan Grubben en Anna Maria Verrrijnen. Hij trouwde 1876 Helden mat Maria Louisa van den Beuken (1853 Helden-1915 Blerick), en kregen 12 kinderen. De naam Carleij komt van Jan Mathijs Carleij (1775 Schin op Geul-1863 Blerick), die een grote boerderij had aan de Kloosterstraat en schuin tegenover een grote boomgaard. Jan Mathijs Carleij was burgemeester van Maasbree 1830-1832 en 1835-1836. Hij was tweemaal getrouwd, (1) huwelijk met Ida Linssen (1796 Blerick-1815 Blerick) en (2) huwelijk met Antje Jans Ooijevaar (1781 Barsingerhorn-NH).

E – Jacobus Hubertus Hermans (1849 Blerick-1929 Blerick), trouwde in 1874 met Catharina Hubertina van Avesaat (1853 Blerick-1925 Blerick). De hele Kloosterstraat werd in 1924 versierde voor hun Gouden Bruiloft.

F - Joannes Christiaan Hubertus Heijthuijsen (1823 Maasbracht-1892 Blerick), winkelier en dijkwachter, zoon van Theodorus Heijthuijsen en Martina Tilborg. Trouwde 1862 Neer met Joanna Bollen (1834 Blerick-1907 Blerick), tapster en dienstmeid, dochter van Joannes Bollen (timmerman) en Willemina Tijssen (dienstmeid en landbouwster). Zij woonden in Neer op de Waije en na 1874 in Blerick, en hadden 5 dochters en 4 zoons.

G - Op nummer 35 woonde Levrinze Kuëb Titulaer (1837 Venlo-1928 Blerick). Die was boer, gerdeneer, voerman, lijndrijver en samen met zijn vrouw Wilhelmina van Eldijk (1850 Maasbommel-1923 Blerick) hadden ze 15 kinderen, 5 dochters en 10 zoons. Levrinze Kuëb was een van de laatste lijndrijvers, hij trok de schepen stroomopwaarts richting Luik. Daarnaast reed hij als voerman met paard en kar veel vracht op het Duitse Ruhrgebied, en sleet hij koopwaar op de dorpen. In de minder drukke tijd bewerkte hij ook nog zijn eigen grond. De zoons groeiden uit tot bomen van kerels, waar moeder Wilhelmina als een kloek over waakte. Wiel en Piet bleven het langst thuis, en werden na sluitingstijd geregeld door hun moeder uit de grot van Calypso opgehaald. Een keer was Bolle Pietje haar voor en moesten de broers voor één nacht in het kotje voor openbare dronkenschap. In de grot van Calypso was een vreemd clubje gehuisvest met een zeer beperkt aantal leden. Slechts als je zonder te ‘kloeken’ een stevel bier van drie liter naar binnen kon werken, werd je toegelaten tot het selecte groepje. Vier zoons van Levrinze Kuëb waren lid. In 1922 werd hun Gouden Bruiloft groots gevierd, ze woonden toen aan de Witherenstraat.

H - Op nummer 37 woonde Peeter Pingen (1835 Meerlo – 1913 Blerick ), hoefsmid, in 1866 getrouwd met Joanna Stroeks (1842 Blerick – 1892 Blerick). Ze hadden 4 dochters en 8 zoons. De voorgevel van hun huis lag niet keurig parallel aan de rooilijn van de Kloosterstraat, maar lag daar eigenwijs dwars op. Dat slordige bouwpatroon maakte van Blerick dat typische pittoreske dorp. Tot 1905 was het een smederij. Eind negentiende, begin twintigste eeuw waren er overigens in de kern van Blerick drie smeden: Pingen in de Kloosterstraat, Hermans aan de Steegstraat en Derks op de hoek Witherenstraat/Kloosterstraat. Brouwer Louis Wolters van stoombierbrouwerij La Belle Alliance uit Venlo kocht het pand aan het begin van de twintigste eeuw van smid Peter Pingen. Hij zocht blijkbaar nieuwe afzet voor zijn bier en begon er een kroeg. Wolters was ook degene die het idee kreeg om de hele binnenkant van het café van kurk te voorzien. Vrijwel de gehele wand en het plafond was met schors van de kurkeik betimmerd. Op sommige plaatsen waren stukken spiegelglas aangebracht. Door dit alles kreeg het café de aanblik van een grot , en men besloot het dan ook de ‘Grot van Calypso’ te noemen. De grot werd vooral de eerste decennia druk bezocht door spoorwegarbeiders, die er op een gegeven moment de broederschap van het bier oprichten. En door de aantrekkingskracht van het Blerickse centrum van al die nieuwe arbeiders werd het ook wel in de volksmond de Zeedijk genoemd.

Handrie Janssen (1879 Blerick – 1943 Blerick) was van 1922 tot zijn overlijden in 1943 de kastelein van de Grot van Calypso. Hij was een zoon van de Venlose Johan Janssen (1826 Venlo-1883 Venlo) en de Blerickse Adelaïde Titulaer (1839 Blerick-1900 Blerick). Hij was tweemaal getrouwd. In 1903 met Johanna Gertruda Hubertina Bongartz, dochter van een garagehouder / kolenboer, die in 1906 acht dagen na de geboorte van hun tweede kind in het kraambed is overleden. In 1910 hertrouwde Handrie met Gertruda Maria Hubertina Lamberts, er kwamen nog drie kinderen bij.

Handrie had een technische opleiding genoten en was niet erg honkvast, in 1911 verbleef hij nog in Londen als machinebouwer. Vanaf 1912 werkte hij als elektricien aan de ‘verlichting’ van Venlo. Toen hij zich gepasseerd voelde bij een promotie, omdat de Gemeente Venlo een technicus van ‘buiten’ aannam, heeft hij ontslag genomen. Met hulp van familie van zijn moeder kon hij op de Kloosterstraat beginnen in de voormalige smederij met woonhuis, de ‘Grot van Calypso’ . Handrie is in 1943 in zijn slaap gestorven aan een hartstilstand, zijn zoon Joep nam de zaak over. Het oude maar slecht onderhouden pand waarin de Grot was gevestigd, moest in 1965 wijken toen de Kloosterstraat werd doorgetrokken naar de Witherenstraat. Joep Janssen (Joep van de Grot)was dus gedurende 22 jaar de laatste kastelein in de grot. Alweer een markant pand met een rijke historie moest van het Blerickse toneel.

I - Op nummer 39 woonde Jan Goofers (1823 Weert-1895 Blerick), molenaar, bakker en jager. Zijn tweede vrouw Mieke Tant was een typisch Blericks dorpsfiguur. Zij dreef een handeltje in koloniale waren en verkocht brood. Mieke Tant was erg gul en gaf veel aan de armen van Blerick. Veel kinderen uit de Boekend aten tussen de middag hun boterhammen bij haar op. De kinderen moesten in Blerick naar school, omdat in hun dorp nog geen school was. Mieke Tant heette eigenlijk Johanna Maria van den Beuken (1847 Helden – 1928 Blerick), en was tweemaal getrouwd. In 1871 in Helden met Mathieu Hermkens, en in 1892 Blerick met de 69-jarige Joannes Goofers (molenaar en koopman). Joannes Goofers was al twee keer eerder getrouwd 1847 met Maria Josepha Hoffman (3 kinderen) en Maria Coopmans (8 kinderen). Op 15 juli 1872 ging de standaardmolen te Blerick voor 3000 gulden naar Jan Goofers, koopman in Blerick. Zoon Lambertus (1851SAM_39-1948), getr. Anna Maria Lormans, nam het handwerk van zijn vader over in 1898.

J – Martinus Peskens (1826 Buggenum-1887 Blerick), mandenmaker; trouwde 1851 met Margaretha Jacobs (1827 Blerick-1883 Blerick). Ze kregen 2 dochters en 6 zoons. Snièder Bernaards is waarschijnlijk kleermaker Johannes Bernardus Driessen, die trouwde met dochter Willemina Peskens en in haar ouderlijk huis gingen wonen.

K – Johannes Hubertus Schouren (1826 Tegelen-1908 Blerick; getrouwd met Maria Dorothea Paulina Gertrudis Hubertina Peeters (1842 Blerick-1926 Venlo), zes kinderen waarvan er vijf jong overlijden.

L – waarschijnlijk is dit de stoelendraaier / houtdraaier Joseph Francis van Elswijck (1834 Venlo-1911 Venlo), getrouwd met Maria Helena Klein (1842 Venlo-1934 Venlo).

M – Johannes Veugelers (1860 Neer-1911 Blerick), getrouwd met Margaretha Hubertina Jacobs (1862 Blerick-1945 Assen).

N – Nicolaas Renier Geloudemans (1839 Breda-1931 Blerick), bakker, winkelier, brugwachter; getrouwd met Johanna Maria Antonetta Joosten (1841 Venlo-1910 Venlo). Ze kregen zeven kinderen, waarvan er drie jong overleden.

O - Op de hoek Kloosterstraat-Antoniuslaan lag het markante pand van brouwerij de Rijk. In 1895 werd dit verkocht aan de Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid. De brouwerij werd overgenomen door Leonard Hubert Vogels (1850 Buggenum – 1925 Venlo) en zijn vrouw Helena Joanna Jongmans (1849 Leiden – 1908 Blerick).