
Beste Blariacus [21.09.1909]
Waarom zoo
somber gestemd trouwe zoon van den roemrijken Blariacus. Welke booze geesten
verstoorden uwe kalme gemoedsrust door nare, spookachtige droombeelden toen gij
rustig in Morpheus' armen[1]
laagt uitgestrekt. Hoe konden toen de welgevormde handen, die de liefdevolle Venlona
uwen grijzen vader zoo bevallig hartelijk toesteekt, in uwe levendige
verbeelding de vreeselijke vormen van ‘reuzen
vangarmen met ontzaggelijke grijpklauwen’ aannemen. Uwe toekomstige
schoonmoeder is geen wreede Xantippe[2],
ook geen moderne, lastige suffragette[3],
maar een verstandige vrouw, eene lieftallige bruid. Laat de tot nieuw leven
ontwaakte, met frisschen moed bezielde, oude Blariacus toegeven aan den drang zijns
harten en vol vertrouwen zijne krachtige armen wijd openen voor de schoone Venlona,
die, zonder aarzelen, zich zal werpen en vleien aan zijne breede borst. Hun
huwelijk zal geen onbezonnen daad wezen; zij hebben den tijd gehad om elkander
te leeren kennen en hoogachten. Mogen zij dan weldra, omstrengeld door de
banden der liefde, zijde aan zijde, lief en leed deelend, door eendrachtige
samenwerking aan beide Maasoevers tooveren ongekende bloei en voorspoed, steeds
toenemend tot het einde der tjjden !
Heil
Blerick! heil Venlo !
Een zoon van
Venlona.
Beste Venlona [24.12.1909]
Edele zoon
der schoone Venlona, droomen komen niet altijd van booze geesten. Denk maar
eens aan de droomen van Pharao. De geschiedenis leert ons, dat 's konings
voorzorgen, op tijd genomen, Egypte hebben gered van een zekeren ondergang.
Voorzorgen te doen nemen nu het nog tijd is, was ook het doel van mijn oproep!
Magere jaren toch zal mijn oude grijze vader beleven aan de zijde der
lieftallige stiefmoeder, die gij ons toedenkt. Gij spreekt van schoonmoeder, lieve
vriend; denk eens eventjes na, mijne benaming niet juister is. Wellicht hebt ge
opzettelijk dat woord vermeden, om ons niet te doen denken aan stiefmoederlijke
behandeling. Het is natuurlijk een bewijs van kinderlijke liefde, en ik prijs
het ten zeerste in dat ge alle goed van uwe moeder denkt; haar liefde maakt
soms blind; laat ge uwe beoordeeling niet méér leiden door het hart, dan door
uwe waarnemingsorganen? Zonder nu in uwe hooggeëerde moeder eene Xantippe te
zien of eene moderne kiesrechtjuffer, hebben we toch, het recht de waardeering,
die gij ons wilt opdringen, niet te aanvaarden, dan na eigen ondervinding. Gij
zegt wel, dat zij tijd genoeg hebben gehad om elkander te leeren kennen; die
opvatting is op zijn minst genomen éénzijdig. Blariacus denkt er anders over. En
bovendien! Zou de oude Blariacus voor de liefdevolle schoone Venlona een gewenschte
partij wezen? Bedenk eens: Hij, zoo oud, een grijsaard; nog wel een forsche
maar tóch een grijsaard, met somber schouwende oogen, en een door zorgen
gerimpeld voorhoofd! En Zij, lieftallig en schoon en, dus jong ten minste, véél
jonger dan Hij!! Och neen! Het verschil is te groot dan dat zoo’n huwelijk ooit
gelukkig zou kunnen zijn. Gij zijt nog jong, en vol idealen en zonder
ondervinding. Ge neemt me dan ook niet kwalijk, dat ik, wien reeds vele stormen
over het hoofd zijn gegaan, mij in levenswijsheid boven U stel en de
stoutichheid heb hun huwelijk wel degelijk een onbezonnen daad te noemen. Mijn
oude grijze vader is dan ook te bezonnen, om zoo iets te beginnen. Hoewel hij
nog met frisschen moed bezield is en een jeugdig hart draagt in die breede
borst, waaraan gij uwe schoone moeder zich wilt laten neervleien, toch is de
drang zijns harten niet tot Venlona. Blariacus beweent nog steeds zijne goede,
trouwe, brave ega, en zal nooit eene andere zijne liefde waardig keuren. Dat
heeft hij gezworen op het lijk mijner moeder; dien eed zal hij houden. Ook
verzocht mijn vader mij, U plechtig te verklaren, dat Hij nooit uwe moeder het
hof maakte; nooit om haar ‘geworben’ heeft!!
Dat zij uit eigen beweging hare welgevormde handen zoo bevallig hartelijk naar
mijn ouden vader uitstrekt, moge modern zijn en bij U gebruikelijk: wij, zonen
van den roemrijken Blariacus hebben andere zeden; wij beschouwen het als een
slecht teeken als Zij Hem naloopt. En in uw ijver om uwe liefdevolle moeder in
staat te stellen, aan den drang haars harten toe te geven, vergeet gij misschien,
dat de vrouw den man volgt; dat dus (stel het onmogelijke geval, dat dit
huwelijk zou gesloten worden) de oude Blariacus het hoofd van het nieuwe gezin zijn
zou; en dat dit voor uwe lieftallige moeder eene aanleiding kon zijn, om voor mijn
goeden teergeliefden vader eene Xantippe te worden.
En dan stelt ge mijn vader
voor om samen met uwe moeder te gaan tooveren op de oevers van de Maas.
Daarvoor zal de oude krijgsheld wel hartelijk bedanken. ‘Strijden en overwinnen’ is zijn leus! Tooveren acht hij zijner
onwaardig. Dat mag Venlona alleen doen. En daarom edel voelende zoon der
trouwlustige Venlona, tracht uwe moeder dat malle idee uit het hoofd te praten.
Mijn vader houdt niet van haar; heusch niet, nooit zal hij haar tot vrouw
nemen. En ik kan ook niet begrijpen, dat het van den kant uwer moeder een
huwelijk uit liefde zou kunnen zijn. Tracht uwe verstandige moeder te
overtuigen, dat het voor haar welzijn en gemoedsrust noodig is, dat ze haar
liefde stralende oogen afwende van een grijsaard, die haar toch niet gelukkig
zou kunnen maken.
Onze beste wenschen voor U en Uwe Moeder!
Een zoon van
Blariacus.