vrijdag 20 maart 2020

Henk Peters wordt nog altijd gemist

Op 5 mei 1945 ontbood de Canadese generaal Charles Foulkes de Duitse opperbevelhebber Johannes Blaskowitz naar Hotel De Wereld in Wageningen. In het bijzijn van Prins Bernhard werd de capitulatie van de Duitse troepen in Nederland getekend. Maar niet geheel Nederland vierde feest, voor velen bleef het verlies van een dierbare een schrijnende open wond.

In het park aan de Raadhuislaan in Tegelen staat een oorlogsmonument. Als je ervoor staat zie je een opgestoken hand boven de woeste golven die de Nederlandse vlag omhoog houdt. Ik zal handhaven staat eronder. Er omheen zien we 28 tegeltjes, links staat een rij van 8, rechts een rij van 10 tegels. Onderaan nog drie rijen met in totaal 10 tegels. In het centrum van die drie laatste rijen staat: H.Peters, bij Terschelling, 1919 – 1939. Alle 28 zijn natuurlijk even belangrijk, maar dit was mijn neef Henk Peters[1] en achter deze tegel ligt een hartverscheurend drama verborgen. Nog steeds wordt in onze familie gesproken over de pijn en het verdriet. Ik moet er jullie over vertellen, omdat we niet mogen vergeten.

Wie waren zijn ouders? Johan Peters uit Ubbergen trouwt in 1917 in Tegelen met Mièna Orval. Ze gaan wonen aan de rand van ut Roeëd Dörp, in een hoekhuis aan de Julianastraat 28. Op 18 mei 1919 worden ze verblijd met de geboorte van hun zoon Henk. Later kwamen daar nog twee zoons bij, André en Ben. Henk groeide op in Tegelen en ging na zijn schooltijd werken als instrumentmaker bij de Nedinsco aan de Molensingel in Venlo. Mijn zus herinnert zich een fietstocht naar Swalmen samen met Henk. Mijn jongste tante Mientje was er ook bij, ze hadden een oogje op mekaar. Een mooie toekomst gloorde. Maar dan is het augustus 1939, de mobilisatie voor de Tweede Wereldoorlog. De 20-jarige Henk Peters moet bij de marine. In de tuin van het ouderlijk huis worden nog wat foto’s gemaakt. Een knappe jongeman staat fier in hemdsmouwen, zijn ouders waren trots op hem. Henk wordt stoker 3de klas op de Nederlandse mijnenveger Harer Majesteits Willem van Ewijck.

Het is 8 September 1939, de Willem van Ewijck was samen met de mijnenvegers Jan van Gelder, Abraham van der Hulst, Pieter Floriszoon en de mijnenlegger Nautilus bezig met het leggen van mijnenvelden rond de zeegaten van de Waddeneilanden. Voor de juiste ligging van zo'n veld moest in verband met de stroming hier en daar een mijn worden opgeruimd. De Waddenzee tussen Vlieland en Terschelling is die vrijdag spiegelglad. Alleen het geratel van een mitrailleur aan boord van de mijnenveger Willem van Ewijck verstoort de stilte omdat die op dat moment zeemijnen 'afschiet'.  Totdat het 56 meter lange vaartuig tussen 12:10 en 12:15 uur op een mijn loopt die met een zware dreun explodeert. Een ooggetuige vertelt. Midscheeps stijgt een waterzuil op, de schoorsteen knapt als een lucifershoutje af en een motorsloep die langszij lag, wordt twintig meter weggeslingerd. In vier minuten zal het doormidden gebroken schip zinken. Bij de ramp komen 30 van de 55 opvarenden om. Dat de van Ewijck, een vrij nieuw schip van net twee jaar oud, met een nauwelijks geoefende bemanning op een mijn is gevaren die de eigen vloot heeft gelegd, meldt de marinestaf wijselijk niet.

Diezelfde middag 8 september 1939 hoort mijn moeder op de radio dat de Willem van Ewijck de lucht in is gevlogen. Ze krimpt in elkaar en verstijft: ‘Dao zit Henk van ós Mièn op’. De wereld staat stil, het ongeloof, intense verdriet en het niet willen geloven houden ome Johan en tante Mièna in een beklemmende greep. Pastoor probeert enkele dagen later steun te bieden maar moet dit al snel opgeven. ‘Hier is met de allerbeste wil in Gods naam geen troost mogelijk’, verzuchtte hij. Hun zoon Henk zal nooit meer thuiskomen.

In mei 1940 vallen de Duitsers binnen en een maand later vieren opa en oma Orval-Dambacher hun gouden bruiloft op de Hoeëgstraot in Tegelen. De hele familie is aanwezig, er moet ongetwijfeld een lugubere sfeer hebben gehangen. Nederland is in oorlog en kleinzoon Henk is nooit teruggevonden bij Terschelling. Mijn vader hoort een man hartverscheurend huilen op één van de kleine slaapkamertjes van het bescheiden huisje. Het is ome Johan die met zijn hoofd in de handen op de rand van het bed zit te huilen. Mijn vader probeert hem te troosten en later vertelt hij wat oom Johan hem toevertrouwde: ‘Ze mogen me levend van m’n hele lijf het vel afstropen als ik mijn Henk maar terug kon krijgen’.

In oktober 1940 werd het monument 'Ik zal handhaven' ter nagedachtenis van drie gesneuvelde Tegelse zonen[2] opgericht in de wijk Op de Heide aan de Trappistenweg in Tegelen. Om vooral bij de jeugd de nagedachtenis levend te houden. In november van datzelfde jaar werd het monument onthuld onder toeziend oog van de Duitse bezetter. Het maakte het verlies en het gemis niet minder om.

De oorlog is voorbij en er wordt gebeld bij huize Peters in de Julianastraat, tante Mièna ontwaart tussen de gordijnen een matroos. Ze sprint naar de deur ‘det is ózze Henk’. Het bleek een Venlose matroos die vanuit een sloep het ongeluk destijds had zien gebeuren. Hij had Henk persoonlijk gekend en moest zijn verhaal kwijt. Hij vertelde dat Henk op het moment van de explosie in het ruim moet hebben gewerkt. Nooit hebben ome Johan en tante Mièna het kunnen verwerken, zeker ook omdat Henk nooit is geborgen. Ome Johan is er letterlijk aan kapot gegaan, véél te jong overleed hij in 1948.

Tot december 2010 stond het monument bij de ingang van speeltuin Klein Zwitserland aan de Trappistenweg. In verband met de aanleg van de A74 was het nodig dat het oorlogsmonument verplaatst werd. In opdracht van Rijkswaterstaat werd het in zijn geheel opgepakt en tijdelijk elders opgeslagen. Op 20 april 2011 werd het monument verplaatst naar de nieuwe locatie in het plantsoen aan de Raadhuislaan, vlak bij het 'Monument voor de gevallenen', waar elk jaar op 4 mei de Dodenherdenking plaatsvindt. Om vooral bij de jeugd de nagedachtenis levend te houden.

Mijn peettante Mièna is 81 jaar geworden, het was een lieve zachtaardige vrouw. Bijna iedere week kwam ze met de fiets naar Blerick bij ons thuis. Vaak drukte ze me heel stevig tegen haar hart en streek door mijn haren. Steeds als er iets erg gebeurde in haar omgeving zag je ze méér dan lijden. ‘Ut guuëf niks ergers as un kind mótte verlere’, zei m’n moeder vaker en we wisten over wie ze het had.

Vorige week vertelde m’n zus nog over Henk Peters, ik moest even dit stukje schrijven over één van die tegeltjes op dat oorlogsmonument.

Omdat we die oorlog nooit mogen vergeten, hebben Marijke en ik een boekje uitgegeven met verhalen van ooggetuigen: ‘Blerick 75 jaar bevrijd’. Het ligt nog steeds bij de Bruna in Blerick.


[1] Hendrik Hubertina André, geboren 18-05-1919 Tegelen als zoon van Johan Peters (geb.20-03-1897 Ubbergen; ovl.07-12-1948 Tegelen), 28-08-1917 in Tegelen getrouwd met Miena Orval (geb.05-08-1899 Tegelen; ovl.17-03-1981 Tegelen)
[2] De andere twee waren Hubert Huys (geb.17-12-1919 Tegelen; ovl.11-05-1940 Someren) en Frans Doumen (geb.12-12-1918; ovl.13-05-1940 Grebbeberg)

maandag 16 maart 2020

Unne speklap taege Angina

Ózze pap haet zich unne foenkelnagel nieje fiets gekoch beej Karel Kerp en ik kreeg zienen alde draodaezel. Mien kinderfietske woord umgetoes veur unne vuuls te groeëte. De zaal kwaam op d’n ónderste stand te staon, hae stónd haos op de stang. Maar ut bleef effe schravele met mienen baom euver dae zaal. En in ut begin had ik ut geveul det ik idder moment zoeë maar kós umkiepere. Maar alles wint.

Ik heb al un paar daag genne hónger en ut aete smak mich eigelik neet. De snaps ut neet wie ut kin maar ut is ech waor. Ut is eigelik gen doòn, maar op un gegaeve moment fiets ik door de Sahara. Ik staon op de trappers en douw mich te verrekke in dae groeëte losse zandbak. Ik heb unnen druuëge nek, zweit mich kepot en kóm aevel genne centimaeter veuroèt. In de vaerte leet un oase, tenminste det dink ik want ik zeen greune palmbuimkes bewaege in die körkdruùge lóch. Ut is zjuus as of dae gaele zand gölfkes mak, alles siddert en trilt un bietje. Mienen bums duit pièn en steit op springe, ik heb koppièn. Op de grónd zit un ald vruiwke hièlemaol verborge in unne dónkerbroène jute umslaagdook. Ik trap wiejer, ik kin neet mièr praote van de pièn in miene nek, ut blood klop mich in de slaope. Miene veurband zak alsmaar wiejer weg in det los gedeuns, de wind teikent kleine gölfkes in ut zand. En gluif mich, ik zeen ut ech, in de vaerte bewaeg en siddert ut zand as gölfkes net wie water in de zieë. Is dit noow un fata morgana of waer ik gek? Ik bin kómpleet neet allein de waeg maar ouk de klöts kwièt. Ik kin neet mièr dinke, miene kop springk haos oèterein. Inens doemp det ald vruiwke weer op, ze helt dae dónkerbroène umslaagdook vas met akelig lange knäökerige grièptengelkes. Ik kièk eur aan, van die dónkerbroène haole ouge kièke dwars door mich haer. Ik bin doèdsbenauwd en trap wiejer. Ik kin neet mièr, ik bin kepot muùg, ik bin zeiknaat van ut zweite maar blièf trekke aan ut stuur en douwe op die pedale. As ik weer opkièk steit det ald vruiwke inens rech veur mich. Ze sleit dae umslaagdook aope. Ik kièk eur in die haole dónkerbroène ouge, ze lach en duit eur gerimpelde mónd aope. Ik zeen twieë broène tand, eine links-baove en eine rechs-ónder. Ze goèjt dae umslaagdook euver mich haer en alles wuùrd stikkeduùster. Un heise stum huùr ik in mien oère d’r oèt perse: ‘Ik kóm dich haole . . . ‘.

Ik veul un frisse hand op mienen bums en schrik wakker. Ós mam zit op de rand van mien bed en leet mich un naat washendje op de kop:
‘Maar jóng, de bis gans naat van ut zweite, heb se gedruimp?’.
‘Hièl akelig mam, un alde vrouw woel mich kómme haole!’, ik had un hièle zwaore stum en kós haos neet praote van de pièn in miene nek. 
‘Ik veul ut al, de hebs koorts, ik zal dich morge waal krank melde op schoeël’.
Ik zag niks mièr, ós mam goof mich unne druùge pyama en schoeëne lakes. Veurzichtig nipde ik un glaas kald water nao binne en veel efkes later razelend wie un Spaans rietje weer in slaop. Maar ut waas neet taege te halde, de kómmende daàg bleef ik maar fietse in dae kloeëte Sahara en det lillik ald vruiwke woord ik maar neet kwièt. Sanderdaags waer ik wakker, dokter Vos steit naeve mien bed. Ik mót op mien ziej gaon ligge, de daekes gaon umhoèg, de bóks na ónder en ik krièg unne kalde thermomaeter in mien kuntje gedouwd. Hae wach un tiedje, ós mam mót un paar kièr hièl deep zuchte en dokter Vos haolt um weer d’r oèt:
’39.2’, zaet dokter Vos, ‘doe je mond nu maar eens open! Iets verder anders zie ik niks . . . ‘. Ik huùr um effe later taege ós mam wat mómpele euver Angina en un kuur van un waek, maar ik bin alweer ónder de daekes gekraope en val in slaop. As det lillik ald wièf weer opdoemp dink ik metein:
‘Angina, des waal unne moèje naam veur zón nut wièf’

Dreej kièr per daàg mót ik un wit pilke inneme en ós mam probeert mich vol te douwe met heite boeljon en beschuutjes met bótter. Nao twieë daàg meug ik ónder op de kannepeej gaon ligge ónder eín lake en eín daeke. Die inge druime zièn intösse ouk weg en ós mam haet mich oètgelag det ik kaelóntstaeking heb. Ut ruùk weer lekker as ós mam steit te kaoke in de keuke aan ut fernuùs. En de beschuutjes hange mich ónderhand ouk alweer d’n babbelaer oèt.

Saoves zit de femielie Tietelèr gezellig te aete aan taofel en ik lig op de kannepeej. Ze hebbe petatte met broène boeëne met speksaus en magere speklappe. Ós mam haet veur mich apart broène boeënesuupke gemak met un ekstra maggieblökske d’r in.
‘En wie geit ut met ózze kranke?’, vruùg ózze pap en sniet un flink stök van unne speklap aaf.
‘Ut geit waal weer, ik lösde waal un stökske speklap’, zag ik met mien zwaore stum van de kaelóntstaeking.
‘Volges mich krieg ózze Jan d’n baard in de kael, noow mót ik ouk al mien speklepkes in de gater gaon halde’, zag mien vader taege ós mam.
‘Piet, hald dae jóng neet veur de gek, dae is ech krank . . .’.
Nao ut aete ging ózze pap in ziene praos zitte en kreeg wie altièd un tas kalde kóffie. Mien zuskes ware aan ut aafwasse en ós mam kwaam oèt de keuke met un bordje en zag breid lachend:
‘Ik heb nag unne groeëte speklap euver, wae wilt dae hebbe . . ?’
‘Ukkuh . . ‘, reep ik met mien zwaore stum. En hièl zörgvuldig woord dae speklap in stökskes gesneje en idder stökske ein-veur-ein aafgezoebeld. Dae lekkere zalte smaak deej mich goòd en det vet smaerde miene kael. En daonao woorte de reipkes vet en vleis langzaam fièn gekauwd en doorgeslik. Minsekinder wat heb ik genaote van dae speklap! En vanaaf daen tièd vind ik unne gewoène speklap nag altièd ut lekkerste stökske vleis. 

En dae nach schravelde ik in mienen druim met miene fiets naeve de Majjem en wie ik thoès kwaam wachde ós mam mich op met petatte met broen boeëne met speksaus en magere speklappe.

woensdag 26 februari 2020

Assekruutske


Ut is weer gedaon, de vastentièd steit veur de deur. Euver zeve waeke is ut Paose. Zoeë oètbundig d’r wuùrd oètgepak met de vastelaovend, zoeë weinig zulle we merke van die kómmende 46 daag. Vruùger waas det andere kook. Op Aswoensdig ginge de minse smorges met zièpuigskes nao de kerk um un assekruutske te haole. De kómmende waeke gen fieëste, d’r moch neet getrouwd waere en (eigelik) genne alcohol achtereuver geschöd waere. De kinder mochte neet snoepe en krege un vastetrummelke um alle sloek op te spare wies de klokke oèt Roeëme truuk kwame. Op schoeël krege we zón leechgreune harde A4-kaart met 46 hökskes. Die woord ónder de klep van de schoeëlbank bewaard en idderen daag as-se-nao-de-kerk-waas-gewaes, moch se un hökse inkleure. Op gojje vrièdaàg meuste we in de kerk ein-veur-ein nao veure kómme met die kaart. Pestoèr zoot póntificaal tösse de kemunie-banke en we meuste die kaart beej um op de slup legge. Un piènlik moment!

Wat unne kwats huùr ik óch dinke!? Maar ik kin óch truuëste, ik had vruùger gen trummelke, ik leet miene sloek neet verkómmere. Mien toffees leet ik neet nag mièr vasplekke aan de pepeerkes. Ik had ouk gen assekruutske gehaold, ze kóste mich de pot op. Want ózze pap zag waal ens as ik gelaoge had: 
‘Ik zeen des se luugs want de haes un kruutske veur de kop’. Ózze pap waas heilig veur mich, beej al die leugenaers woel ik neet geraekend waere. Mien leechgreune kaart bleef ouk haos gans maagdelik leechgreun, allein de rechter hökskes (de zóndaag) woorte ingekleurd. En wie ik die kaart beej pestoèr Jansse op de slup lag, toen keek hae mich vernietigend aan en schödde met ziene gezaegende kop. Maar det deej mich neet zoeë vuùl. Want ózze pap dae ging noeits nao de kerk en weej hoofde allein sóndigs nao de kerk. En aan dae andere kwats deej ózze pap ouk al neet, dus hoofde we ouk neet mei te doon. Ózze pap waas unne gojje, integere, leeve en ièrlikke mins. Hae waas zienen tièd wièd veuroèt. Veur ós kinder waas det neet altièd gemekkelik want minse sproke d’r ós waal ens op aan det ózze pap neet nao de kerk ging. Zelfs groeëte minse meinde zich waal ens te kinne permitere:
‘Bis dich van Tiètelair, van dae mins dae neet nao de kerk geit!?’. Maar weej ware ónkreukbaar gruuëts op ózze pap.

Lets had ik ut dao euver met unne jóng beej ós oèt de straot. Dae kwaam oèt zón euverdreve katholiek gezin. Ik vertelde euver ózze pap en wie minse ut waogde um zien kiendjes dao op aan te kièke. Ik zoog um naodinke en hoord’um inens verzuchte: 
‘Jao jao, vruùger waas ut vraemp as se neet nao de kerk gings en taegeswäördig is ut vraemp as se waal nao de kerk geis’.

Vaste is ouk unnen tièd van bezinning, ik haop det we gruuëts bliève op ós katholieke fundament. Ze hebbe ós vruùger meschiens vuùl wiès gemak maar wat d’r euverblief is waerd um veur te vechte.

In dae zin blief ózze pap veur altièd miene held.

dinsdag 25 februari 2020

Zandberg

Ut is alweer efkes geleje, miene kleinzoon hei hièl gruùts unne nieje Nintendo gekrege. Hae kroop kevieps naeve mich op de bank:
‘Opa, zulle we same un spelke doon?’, en twieë rappe klevièterkes lete zón mechanisch pupke op det klein schermke euver kuulkes haer springe en ledderkes op en aaf klumme. Ik kós ut met mien ouge ech neet beej halde.
‘Met det dink same un spelke doon? Op zón klein schermke?’, zag ik wièfelend.
‘Jao opa det is leuk, geej kièk as ik un spelke doon en ik kièk as geej ut dót!’. Nou, det leek mich neet zón good idee, det neum ik neet same speule. Dae kleine ströp had metein in de smièze det dit niks goof, det waas niks veur opa:
‘Wat deejt geej vruùger eigelik veur spelkes op de kómpjoeter?’.
‘Maar jóng, toen ware d’r nag gen kómpjoeters, weej speulde altièd boète. En as weej swoensdigs en saoterdigs wat mièr tièd hadde, dan ginge we nao ein of andere zandberreg’.
‘Unne zandberreg . . ‘, en hae keek mich vraogend aan. En toen meus ik um oètlegge wat unne zandberreg is en wie det vruùger ging. Wie we un paar vrinde in de straot ginge aanrope um te speule en dan woort d’r euverlag wao we daen daàg haer ginge. En as ut good waer waas dan veel de keus dökker op unne zandberg. We hadde keus zat en d’r ware zandberg genóg. De hads de Spekberreg in Holt-Blièrick, de Kóckersenberreg in d’n Bokend, in de Wielder hei-se d’r zelfs dreej. En neet te vergaete dae in de Wiènkelder. Ut muulke van miene kleinzoon veel steeds wiejer aope van verbazing:
‘En wat deet ge dan op die berg?’. 
'Nou, op en aaf renne, köpke kukele, gewoèn kuite en met zand goèje . . . ‘. Hae snapde d’r hièlemaol niks van en ik bedóch mich wievuùl det d’r in zestig jaor waas veranderd. 

En ik kièrde in gedachte efkes truuk nao unne werme augustusdaàg hièl lang geleje. Met un paar vriendjes lepe we door d’n Hazekamp en euver unne veldwaeg nao d’n Bokend. De Klingerberg waas d’r nag neet. En dan wiejer euver dae lange slingerende Kóckersewaeg kwame we beej die brök euver de Kóckersebaek. Dao sloge we links aaf en un stökske wiejer loog links unne moèje groeëte en lange zandberreg. We makde unne lange sprint nao baove door de losse gaele zand en ginge baove op de rand oèrtröste. We ware neet de enigste daen daàg. Naeve ós zoot un meuderke op un ald taofellake in de fletse schaduw van unne lieëge denneboum. Veur eur zoot unne baby te speule met unne rammelaer. Ut kiendje droog allein maar unne katoene luier, vasgezatte met un paar van die groeëte veiligheidsspelde. Op zien bumske had ut meuderke unne zakdook gefiespernöld. In alle veer de hukskes van dae zakdook had ze unne knup gelag. Ut zoog komisch oèt maar waal hièl hendig bekeke. Ut kiendje keek mich aan en lachde. Van ièfer trappelde ut met de puùtjes en rammelde met dae rammelaer. De moder heel intösse eur andere dochter in de gater, det köpke kukelde van d’n berreg.
‘Astebleef Mieke, neet zoeë met dien haor in dae zand . . . ‘, hoord’ik eur zegge. Det waas veur ós deugneete ut sinjaal um ens duchtig door de zand te rölse. We rende d’n berg op, en det veel neet mei door dae losse gaele zand. Ut leek waal op die trap van de Hollie-Hollie van de kermis. En baove gekómme doke we weer nao ónder met de kop nao veure. En al kopkukelend deje we wae ut ièrste ónder waas. En dan weer truuk umhoeëg. Det maedje sloot zich metein beej ós aan en det meuderke deej maar wiejer ut zwiège toe. Had zeej wat mièr oug veur det baby-tje. En ut leverde ós effe later un paar sloeke aanling op. Van det meuderke mochte we same unne baeker deile, ik veulde de zand knièrse tösse mien tand. Ónderaan de zandberreg leep, wie kin ut ouk anders, de Kóckersebaek. Un betónne stuw zörgde d’r veur det ut water aan eine kant wat hoeëger stónd. En aan d’n andere kant met un klein watervelke ziene waeg vervolgde nao de Bokender koèle. Det water waas ièskald, maar waal kraakhelder. Met unne gaele zandbaom met aan de kante van die frisgreune waterplentjes die meidansde met ut water. We trokke alles oèt behalve de ónderbóks en sprónge zónder ós te bedinke in ut kalde water. God wat waas det lekker, we douwde mekaar ónder water en kwame weer proestend baove. Allein Mieke stónd hièl zielig aan de kant met al zien kleijer aan, det moch d’r neet in van zien mam. En weej vlaegels spetterde um met twieë hand tegelièk duchtig naat. Ut deej net of ut det neet leuk vónd, maar bleef waal staon. En toen wiste weej genóg, ut genoot d’r ouk van. En waorum ouk neet? Met oèt ut water kómme mós ik waal mien ónderbóks good vashalde anders veel die óet. Jao jao, die ónderbókse van vruùger zoge zich good vol met water en zote zoeë wie zoeë al wat wièd. En d’n elestiek waas al wat oètgelubberd. We knepe zoeë good en zoeë kwaod ut meiste water d’r oèt, trokke ós weer aan en ginge weer truuk op hoès aan. Taege daen tièd waas alles weer druùg.

Un waek of zoeë later ginge we met det zellefde stel op paad nao de Wiènkelder. Van ós mam hadde we un Exota-fles met aanling meigekrege. We ginge met de fiets de Lieuwerikstraot aaf en achter aan de Fort Sint Michielstraot d’n euverwaeg euver. Naeve die viès terbaek aaf, meuste effe wachte op d’n trein nao Numwaege beej d’n twieëde euverwaeg en dan d’n Horsterwaeg op. Un hièl stök veurbeej ut greun dörp ging unne veldwaeg rechs nao ónder tösse de weie door nao un kleine bös, de Wienkelder. Wao de naam vanaaf kump, weit ik neet. Maar ut waas un dich dónker bös. Rechs naeve de paad leep un klein baekske met un paar opborrelende brunkes. Links loog unne hièle hoeëge zandberreg in de vorm van unne kómp. We goèjde de fiets aan de kant en sprintde wae ut ièrs baove waas. Vandaag deje we wae ut wiedste van d’n berreg aaf kós springe. 
Links van de zandberg waas un dichte dónkere loofbös met dieke slingerplante. Die greujde um takke waodoor die hièl moèj spiraalvörmig woorte. We hebbe net zoeë lang gezóch wies we allemaol zónne höltere körketrekker stek hadde. Wie we nao hoès ginge ware we allemaol ónder de zand en zote we vol met kratse van det struine door die dichte bös. Ónderwaeg zoge we unne boer die zien kuuj aan ut melke waas. Det ging toen nag gewoèn op de huukskes gezaete met unnen eimer ónder de koe. Ik zeen um nag zitte, de klep van zien muts wat nao achter geschaove, en ziene kop taege ut dieke lièf van die koe geleund. Niejsgierig stapde we aaf en ginge det wat doeënderbeej bekièke. De hoors die sträölkes melk in dae zinken eimer klettere.
‘Kin se die melk zoeë drinke meneer?’, vroog ik nao de bekinde waeg. Zónder ós aan te kièke richde daen boer ein van die uier in ós richting en sprietsde un sträölke melk.
‘Kind ge mich un bietje in mien fles doon meneer?’, waogde ik ut d’r op. En jaowaal huùr, hae pakde mien laege Exota-fles en spoot die zónder te knoèje half vol. Voller ging neet want de melk schoèmde hièl erg.
‘Dankewaal meneer’, zag ik en zat metein die fles aan miene mond. Wat waas die heerlijk roumig en werm tegelièk. Zón lekkere melk had ik nag noeits gepreuf. 
‘Laot mich ouk ens . . .’, zagte mien vrinde en toen waas de fles zoeë laeg.

‘Opa, wild geej ouk unne kièr . . . ‘. Ut stumke van miene kleinzoon brach mich truuk in de realiteit. 
‘Nae jóng, speul dich nag maar unne kièr . . . ‘. En dao zoot hae weer inein gedaoke met twieë hendjes dae Nintendo stevig vashaldend. Zien uigskes doeënbeej det schermke, allein twieë kleine klevièterkes zoog ik bewaege. 

De tieje zièn veranderd, maar wie ut waas zal ut noeits mièr waere.

woensdag 12 februari 2020

Twellef biezóndere daag

Zón 1500 jaor geleje woeënde un Merovings gezin in unne hutkóm örges in Blièrick. Um presiès te zièn op de plek wao 1000 jaor later ut Fort Sint Michiel door de Spanjaarde zuùj waere gebouwd. In zón half ingegrave rechheukig huuske van twieë beej dreej maeter, meschiens ietskes groeëter. Met un spits daak det rösde op de grónd. Opgetrokke met takke, wietse, stroeë en graaspuùs. De twellef heilige daàg ware net begónne, ze hadde nag genne Blièrickse scheurkalender, maar net as noow loge die gewoèn tösse 25 decèmber en 6 januarie. Saoves zóte ze beejein in eur werme laefkoel róndum ut holtveurke. Baerke, de zoon van Faar ging doeën taege ziene pap aan zitte. 

Luuster wie wièsheid aan de volgende generatie wuùrt euvergedrage:
Huùr pap, de wind is gaon ligge. Alles is stil um ós haer, Wodan is d’r zich ouk effe beej gaon zitte’. Ózze pap luusterde en ik zoog um naodinke.
Schièn bedruug Baerke. . . ‘, zag hae en wachde effe aaf. Ik wis det hae det deej um mich nag niejsgieriger te make.
De wind ligk, de aerd liek noow misschien in röste, maar schièn bedruug. Want de aerd is net wie weej un laevend waeze. Net wie weej aomp de aerd in-en-oèt’. En weer zweeg miene pap.
‘Jao, maar wat aomp de aerd dan . . . ?’, probeerde ik wat óngedöldig.
‘Laeveskrach en scheppingskrach! Wie we det idder jaor kinne zeen aan de bloome en de buim en aan de gebaorte van jónge bieëster. Swinters trekke de scheppingskrachte zich truuk in de aerd. Nae nae . . . , neet um in slaop te valle, maar um zich veur te bereide op niej laeve. Swinters zien de krachte in de aerd ut sterkste. Daorum zien in dees twellef daag ós gedachtes ut meis verbónde met de krachte van de aerd um ós haer’.
‘Wat knap van óch pap, det geej det allemaol weit’, en hièl gruuëts keek ik ózze pap aan. Maar dae keek strak veur zich oèt.
‘Ik weit det van mien vader, diene euverléje opa. En die christene van taegeswäördig make daor slum gebroèk van. Det ganse kersverhaol laote ze hièl gewieks aafspeule binne ós twellef heilige daag. Ze laote eure Jezus gebaore waere in ut begin van de twellef daag. En hièl toevallig hadde die dreej keuninge presiès twellef daag nuùdig um beej ut kribke te kómme. Allemaol slum in elkaar gefiespernöld binne ós eige twellef heilige daag’.
‘Maar ut blief waal ein moèj verhaol pap, misschien waal moèjer as twellef daag op-en-neer mótte loupe door de keld nao de Zeevewaeg’.
‘Moèjer of neet moèjer, morgevruùg gaon we weer op paad. Want noow is de sluier tösse hemel en aerd ut allerfiènste. De geister van ós veurelders zien noow ut doeënste beej. Weej hebbe det altièd zoeë geveuld, ós lot wuùrd in dees twellef daag beklónke veur ut kómmend jaor. En ouk de zón en de maon vertelle ós det, let maar ens goód op, schalevaeger. Ein zónnejaor deurt 365 daag en is verdeild in twellef maond. De umloup van de maon deurt 29,5 daag. As se good raekens löp de maon in un jaor tièd dus twellef daag achter op de zón. We zeen ouk det op ut ind van ut jaor dees twellef daag aeve langk deure. Ut is net of de zón zich effe twellef daag inhelt. Ze helt net wie weej gewoèn twellef daag rös. Twellef daag veur bezinning op ut nieje jaor. Hèhè, zoeë is ut en neet anders . . . .’.

Ózze Faar strekde zich effe de rök en keek hièl tevréje veur zich oèt. Inens verstarde zienen blik in ut holtveur en ik zoog traone beej um opkómme. Hae pakde miene kop tösse mien twieë oère en zag:
‘Kièk mich aan en vergaet dit noeits. Wao weej noow zitte is un biezóndere plek, dit is de volgende laog van un mièrvoudig cultuurhistorisch monument. Oeits zulle ze ózze hutkóm opgrave en ze zulle neet weite wat ze met ós kuùlke aanmótte[1]! Ze zulle ut flot dich goèje en met veut traeje. Want in daen tièd luùstere ze neet mièr nao de aerd en de geister van eur veurelders. Ze höbbe gen respek mièr veur ut verleje, ze staon met de rök nao de toekóms. En in de monumente van ut verleje ligge toch ech de parels veur morge’.

‘Ieuwig zund pap’.

De volgende morge lepe unne vader en unne zoon weggedaoke in eur rendiere-bóntjès door de sluiers van ut verleje nao de Zeevewaeg in Zaerum.



[1] In 2011 werd een Merovingische hutkom gevonden op het kazerneterrrein

donderdag 6 februari 2020

Vastelaoves-trauma

Ik waas nege jaor en ut laeve bestónd nag oèt nao schoeël gaon, slaope en roepzakke. De vastelaovend van 1957 kump d’r aan en de vraog waas: ‘Wat gaon ik waere?’. Vas pandoer waas keeze oèt cowboy, indiaan, zigeuner of gewoèn maar boer. Ik wis ut waal, ik woel Roy Rogers zièn, aldere luuj kinne um nag waal. De groeëtste cowboyheld in de films van daen tièd. Ik waas al aan ut oefene, van un plenkske had ik mich zelf un pistuùlke gefiespernöld. Van mam had ik de kachelpoets geliènd um de juuste kleur te gaeve, hae waas net ech (vónd ik). 

Op vastelaoves zóndigmorge waer ik aangedoedeld, un te groeët ruutjese haemp, unne roèje zakdook um de nek, zwarte moefe aan de mouwe en unne breije zwarte reem. Mien aldste zuske sjmienkde mich, noow nag de cowboyhood op en ik waas klaor. Mien eige pistuùlke tösse de reem, sheriff-ster op en Roy Rogers kós aan de Blièrickse vastelaovend beginne. Maar dao haolt ós mam wat oèt de kelderkas: unne echte holster veur aan de reem, un ech pistuùlke en un duuëske met pistungskes kómme teveurschièn. Ik vloog ós mam um de nek en waas zoeë bliej wie unne gek. Un ech pistuúlke . . . . Metein woort ut ièrste rölke met pistungskes veurzichtig oèt ut duuëske gehaold en in det nieje pistuùlke gefroemeld. Ut veel nag neet mei, ut mót d’r presiès ingedaon waere anders knalt hae neet. Maar met twieë hand lökde ut toch en hièl gruuëts leep ik knallend de Lieuwerikstraot op en aaf. 

Zóndigmiddig is d’n optoch in Blièrick, ózze pap duit ouk mei met de visclub de Goede Hoop. Hae haet van un alde tante un bóntjeske en un bóntmutske geliènd. Ut haet gen porum, die zièn um allebei vuùls te klein. Veural det mutske sleit letterlik as un tang op un vèrke. En dao make ze um ouk nag roèje lipkes . . . gekker mót ut neet waere. Aan zien visgaerd wuùrd unne groeëte plestik vis vasgemak en dao geit-e op waeg nao ut dörp. Weej gaon effe later nao d’n optoch en zeuke un plaetske beej Cordang in de Broekstraot, taegeneuver de Schenck van Nijdeggestraot. Ut deurde un ieuwigheid wies hae begós te trekke, maar gelökkig had ik mien pistuùlke en mien pistungskes. Eindelik, dao kwaam Herwónne Laeveskrach en de paerd van de Karwats. D’n optoch trok veurbeej en aoh jeej, dao kwaam de wage van de Goede Hoop. Ik kroép achter ós mam, want ik schaam mich kepot. Ózze pap steit baovenop dae wage met zien bóntmutske en zien te krap jeske, zweiend met dae plestik vis. Ik haop det-e mich neet zuùt. Gans op ut lets speult hermenie Caecilia ‘Blièrick ós Blièrick, det steit baovenaan’ en dao achter de wage van prins Hay d’n ièrste. Met twieë hand goeit hae met zien adjudante caramels en zuurtjes nao de minse. Idderein begint inens te graaie en te grièpe. Kinder, jao zellefs moders, kroèpe euver de grónd en pikke mekaar de snuupkes veur de neus weg. Tuurlik doon ik ouk mei en laot op d’n truukwaeg ós mam gruuëts mien dieke bóksetesse zeen.
‘Wao heb se dien pistuùlke?’, vroog ós mam. Ik greep metein nao miene holster maar dae waas laeg.
‘Weg . . .’, waas ut enigste wat ik kós oètbringe met de ermkes in de lóch.
‘Dan gangk maar gauw truuk kièke of hae nag örges leet’. Flot rende ik truuk nao Cordang maar ik zoog niks ligge. Minse lepe zingend en hossend de Broekstraot op en aaf. En ik veulde mich hièl bedreuf en begós hièl hard te bäöke. Twieë aldere maedjes sproke mich aan:
‘Waorum bäöks dich jungske?’.
‘Ik heb heej örges mien niej pistuùlke verlaore!’.
‘Meschiens mós se aangifte doon beej de pliessie’, zag ein van die maedjes en same huppelde ze wiejer in de richting van de Witte. Nou ja, zellef kós ik niks baeters bedinke, dus leep ik euver de Broekstraot en de Kloeësterstraot nao ut pliessie-buro. Ónderwaeg controleerde ik idderein dae un pistuùlke beej zich had en vroog waal tig-kièr of nemes un pistuùlke gevónde had. Maar lauw-loene, sómmige hele mich zellefs veur de gek:
‘Wat bis se kwièt jungske, dien piespäölke?’.
Binne in ut pliessie-buro waas gaar nemus, allein unne pliessie zónder pet zoot achter de balie.
‘Meneer de pliessie, ik heb mien pistuùlke verlaore op de Broekstraot beej Cordang’. De pliessie keek mich hièl ernstig aan:
‘Aoh wat erg jungske, maar ze hebbe heej nag niks aafgegaeve. Maar schrièf heej efkes diene naam en adres op, as ze wat aafgaeve dan huùr se det waal’.

Hièl bedreuf leep ik nao hoès met mien bóksetesse vol sloek en ónderin det duuëske met pistungskes. Zuuj ik ze oeits nag kinne gebroèke? Thoès wachde ós mam mich op en truuësde mich:
‘Kóm maar jóng, zoeë erg is ut ouk weer neet. Volgend jaor koupe we gewoén un niej’.
Maar de vastelaovend heufde veur mich effe neet mièr, zeker wie ózze pap saoves ouk nag ens met un stök in zien kloeëte thoès kwaam. Hae loog nag ièrder as mich in bed óntzettend te snörke. Ik kós d’r neet van slaope en meus allein maar dinke:
‘Wao zal mien pistuùlke zièn, wae haet det met genaome, zal ik ut oeits nag truukzeen . . . ‘, maar veel oèteindelik toch in slaop. De volgende morge kóm ik ónder, ózze pap zit met zièp-uigskes aan taofel met ós mam.
‘Zoeë zoeë’, zaet ózze pap, ‘wat huùr ik, haet Roy Rogers zien pistuùlke verlaore?’.
‘Laot det zièn Piet’, zaet ós mam en taege mich zag ze: 
’Zal ik dich verkleie veur de kinderoptoch jóng’.
‘Nae, hoof neet’, zag ik, ‘meschiens kump de pliessie waal mien pistuùlke truuk bringe’.

De vastelaovend waas veur mich veurbeej, de pistungskes heb ik boète op de plaats allemaol met unne hamer laote knalle. Van de pliessie heb ik noeits mièr wat gehuùrd.

Gelökkig heb ik nag un foto.

zaterdag 25 januari 2020

Marijn, vièf jaor later

Ut waas neet taege te halde. We hadde det noeits verwach. Twieë losse zinkes die veur mich al vièf jaor gen beteikenis mièr hebbe. Al un paar jaor neume ze de maondaag van de letste volle waek van januari hièl sjiek ‘Blue Monday’. D’n daag det de meiste minse zich dreuvig en mismeutig veule. D’r wuùrt sinds un paar jaor ouk ut ‘Depressiegala’ op d’n televisie georganiseerd. Det levert toch waal wat aandach op, helaas ouk negatieve aandach umdet ut sponsorgeld verdwiènt in de verkièrde tesse. Idder jaor det zelfde berichje in de krant: ‘Het aantal zelfdodingen stijgt nog steeds’. Det zièn van die momente det we wat huùre euver det greujend en ónzichbaar probleem: depressie. Maar neet allein op die momente, ik dink d’r dökker aan, en det leet aan Marijn.

Ut waas neet taege te halde. We hadde det noeits verwach. Ik lièrde Marijn kinne in 2009 wie ik lid woord van Swift Atletiek. Ik zóch aansloèting beej un gruupke werpers en vónd det in Remund. De vaste kern bestónd destièds oèt veer jónge kaerels. Twieë kièr in de waek leep ik ut sportpark op. Die veer ware al begós met de warming-up. Wat voetballe, wat hokkieje met unne te groeëten bal, ut leek mich eigelik mièr op gezellig rugbieje wat ze deje . Ik begós alvas met kogelslingere. Daonao deje we dan altièd same kogelstoeëte en discuswerpe. Marijn waas d’r altièd. Unne röstige jóng met weinig talent veur atletiek. Un bietje te diek, wat verlaege en introvert. Maar waal met unne geweldigen inzet. Iddere training weer opniej. Ut waas unne jóng nao mien hert, ut kinne neet allemaol kampioene waere. As ze zich maar inzette en d’r plezeer in hebbe, en det had-e. Ik moch Marijn en leet det geregeld blièke as we naeven-ein in de riej stónde op ós beurt te wachte. Want ut werpgruupke greujde oèt tot unne fikse werpgroep en Marijn greujde mei. Ziene inzet en zien doorzettingsvermogen ware un veurbeeld veur de groep. Unne bescheide lach waas smeis ut antwaord op mien vraoge.

Ut waas neet taege te halde. We hadde det noeits verwach. Ut is lets december 2014, ut alde jaor wuùrt oètgegoèjd beej de werpersgroep van Swift. Marijn waas intösse unne echte kaerel gewaore. Hae zoog d’r good oèt, hae waas zichbaar aafgevalle en had zich un siekske laote greuje. ‘De zuùs d’r good oèt’, zag ik oprech good bedoeld taegen um en goof unne stevige schouwerklop. En hae lachde wat verlaege wie hae det smeis deej en zag ‘Danke’. Ech unne jóng dae in mien ouge klaor waas veur de volgende stap in zien jónge laeve. 

Ut waas neet taege te halde. We hadde det noeits verwach. Ut is woensdig 28 januari 2015 as ózzen trainer mich belt: ‘Marijn is doeëd’. Ein ièzige keld euvervelt mich van top wies tieën, dieke traone zien neet mièr taege te halde, ik ièsbaer door de kamer op en neer. Wat is d’r gebeurd? Gisteraovend waas Marijn in ut deepe gesprónge, hae waas zelfs neet metein doeëd. Wie kin det noow? Waas daen drempel nao de volgende stap in dien jónge laeve nag hoeëger as die reling van die flat? 

Ut waas neet taege te halde. We hadde det noeits verwach. Det ware zinkes die we hièl dök huùrde beej zien begrafenis op 3 februari 2015 beej ‘Tussen de bergen’ in Remund. Marijke en ik stónde naeven-ein, ik luùsterde wat d’r euver Marijn gezag woord. Ik verstièfde beej ut huùre det hae al langer psychische probleme had gehad, maar ze kóste um blièkbaar neet helpe. Waorum wis ik det neet, waorum had ik det neet gezeen? Ik had zien elders en broor un kort ‘in memoriam’ gesteurd. Ik schrók wie det inens geprojecteerd stónd op de wand, en ouk nag woort veurgelaeze. Ik brook op det moment en noom ouk un besloèt.

Ut waas neet taege te halde. We hadde det noeits verwach. Wie dök huùre we neet van minse die worstele met beginnende dementie. Wie dök weite we neet det emus unnen burn-out haet. Wie dök zeen we neet det emus in un hukske zit, wuùrt boète geslaote, wuùrt gepes of ut neet mièr zuùt zitte? Wie dök zeen we neet det emus d’r gans allein veur steit. Wie erg is ut as ut in die baovekamer neet mièr good schakelt? Tièdelik of meschiens waal genetisch bepaold? We kinne ze dök neet helpe maar toch waal d’r veur zièn! Marijke en ik stappe d’r gewoèn op aaf, pakke d’n auto of de fiets en staon veur de deur. Sóms adoptere we emus veur zoeë lang as ut nuùdig is. 

Ut waas neet taege te halde. We hadde det noeits verwach. Op 27 januari is ut vièf jaor geleje dat Marijn oèt ut laeve stapde. Maar zeker neet oèt miene kop. Marijn, de hebs mich gelièrd det se sóms un stepke wiejer mós dörve te gaon. Efkes mièr aandach gaeve, effe veur emus op dörve kómme. Tièd make veur emus in noeëd. Tuurlik kinne we neet alles oplosse. Te dök mót ik toegaeve: Ut waas neet taege te halde. We hadde det noeits verwach. Maar kin dan waal zegge: ik heb as mins un bietje mièr mien bes gedaon. Neet allein op ‘Blue Monday’, maar idderen daag. 

Rös zach Marijn, ik hald dich nag effe beej mich!